Over alles behalve design

Abonneren op feed Over alles behalve design
arthouse, classics, cult, Hollywood, music
Bijgewerkt: 2 uur 37 min geleden

Suntan (Argyris Papadimitropoulos, 2016)

za, 12/09/2017 - 13:10

De karakteristieke bonkige kop van Makis Papadimitriou vergeet je niet snel. De acteur laveert in zijn spel tussen komisch en dreigend. Hij steelt in Chevalier (2015) de show met een grappige playbackversie van Minnie Ripertons Lovin’ You. Papadimitriou oogt een stuk gevaarlijker in zijn bijrol tegenover de vrouwelijke soldaten in Voir Du Pays (2016). Het voorlopige hoogtepunt in zijn filmcarrière is de hoofdrol als dorpsarts Kostis in de donkere tragikomedie Suntan.

Films uit de zogenaamde Greek Weird Wave spelen zich vaak af op geïsoleerde locaties: een afgeschermd huis in Dogtooth (2009), een verlaten havenplaats in Attenberg (2010), een theater in Interruption (2015), een hotel in The Lobster (2015) en een vakantieboot in Chevalier. De geïsoleerde locatie in Suntan is een Grieks vakantie-eilandje. Kostis is de enige passagier tijdens de overtocht vanaf het vaste land. De burgemeester heet hem persoonlijk welkom. Tijdens een eerste rondgang blijkt iedereen op het eiland elkaar bij voornaam te kennen.

Kostis doet niet heel erg zijn best om zich onder de vaste bewoners te mengen. Hij gedraagt zich als een banneling die onvrijwillig op het eiland verblijft. Waarschijnlijk heeft hij het baantje als huisarts aangenomen omdat niemand anders zo gek was om op deze plek te gaan werken. Het is nóg waarschijnlijker dat Kostis niet echt heel erg goed is in zijn vak en dat werken op het eiland de enige manier was om binnen zijn vakgebied aan de slag te kunnen.

Makis Papadimitriou in Suntan

[Spoilers!]
Buiten het vakantieseizoen is het een dooie boel op het eiland. Pas wanneer de toeristen arriveren, heerst overal levendigheid. De jonge backpackers worden zo onverwachts in de film gemonteerd dat hun komst lijkt op een overval. Op de eerste vakantiedag bestormt een bont groepje jonge Europeanen de dokterspraktijk van Kostis. Anna (Elli Tringou) en haar vrienden plagen de arts terwijl hij de wond op haar been behandelt. Kostis vat hun spel op als een uitnodiging om zich in zijn vrije tijd bij het groepje aan te sluiten. Hij interpreteert het gedrag van de vrije Anna als geflirt en trekt daar conclusies uit die de komedie doen veranderen in een tragedie.

Het contrast tussen de stugge arts en de uitgelaten hedonisten kan niet groter. Kostis is een rusteloze einzelgänger. Op het eiland wordt hij dubbel geconfronteerd met zijn rol als eeuwige buitenstaander; hij voelt geen echte band met de lokale bewoners en is te oud om aansluiting te vinden bij de vakantiegangers. De zonnesmeer op zijn gezicht en bolle buik maakt zijn huid nog bleker tussen de zongebruinde ranke twintigers. Je zou de Griek en zijn buitengesloten positie ten opzichte van de feestvierende Europeanen kunnen zien als een metafoor voor de positie van Griekenland binnen de Europese Unie , maar ik denk niet dat regisseur Argyris Papadimitropoulos een politieke film heeft willen maken.

Kostis overschrijdt steeds meer grenzen om het gevoel te krijgen dat hij wel degelijk ergens deel van uitmaakt en niet door eigen falen alleen op de wereld is. Drank, drugs en slaapgebrek maken hem bandeloos en ontdoen hem van het laatste laagje beschaving. De moderne Griekse man is ver verwijderd van de mythische helden uit klassieke Griekse tragedies. Odysseus wist het verleidelijke gezang van de Sirenen te weerstaan; de weerloze Kostis laat zich inpalmen. Hij komt er te laat achter dat hij een illusie najaagt. Zelfmedelijden brengt hem niet tot inkeer en de tragische komiek verandert in het monster dat hij altijd al in zich droeg.

8/10

Suntan is verkrijgbaar op Blu-ray/DVD via het Britse label Eureka.

Nadah El Shazly – Ahwar (2017)

za, 12/02/2017 - 12:42

Nadah El Shazly was in het tweede weekend van november een van de verrassingen op het festival Le Guess Who in Utrecht. In dezelfde maand bracht de muzikante uit Caïro ook het album Ahwar uit waarop haar Egyptische roots opgaan in electronica, avant-garde en jazz. Haar nieuwe plaat is een goede aanleiding voor een terugblik op het optreden dat ze gaf op zondag 12 november, de laatste dag van Le Guess Who.

De Egyptische zangeres en producer Nadah El Shazly begon haar muzikale carrière in een Misfits-coverband. Ze laat de punkinvloeden tegenwoordig ver achter zich en maakt nu experimentele muziek waarin ze haar Arabische roots verweeft met westerse elementen. Tijdens de opnamen van het nieuwe album Ahwar werd ze in de studio omringd door een tiental gastmuzikanten en productioneel ondersteund door Maurice Louca en Sam Shalabi van The Dwarfs of East Agouza. Alle medemuzikanten werden tijdens het solo-optreden op Le Guess Who in TivoliVredenburg uit een laptop getoverd. De laptop zal binnenkort minder prominent op het podium staan of misschien zelfs in de studio achterblijven, want de zangeres is na haar terugkomst in Egypte met een band de repetitieruimte ingegaan.

Nadah El Shazly

De laptop wekte in Utrecht de suggestie dat Nadah El Shazly een elektronische muzikant is, maar de muziek op de plaat wordt voornamelijk akoestisch voortgebracht. De akoestische instrumenten worden via elektronische effecten door de mangel gehaald zonder dat ze hun herkenbaarheid verliezen. Een enkele keer zorgen elektronische beats voor het begeleidende ritme. De saxofoon keert regelmatig terug op Ahwar, zoals in het instrumentale nummer Koala waarmee Nadah El Shazly haar set in Utrecht afsloot. Een langzame, onregelmatige drumpartij wordt in de polyritmische track omringd door nerveuze blazers die lijken ontsnapt uit een minimalistische compositie van Terry Riley (zoals Poppy Nogood and the Phantom Band All Night Flight uit 1968).

Live in Utrecht zette Nadah El Shazly de computer even uit voor een a capella uitgevoerd lied en kreeg ze de zaal stil met enkel haar soepele donkere stem. Haar manier van zingen was net zo vrij als een jazzsolo. De jazzinvloeden in sommige nummers op Ahwar zorgen voor grillige songstructuren en atonaliteit. Westerse en oosterse toonsoorten wringen en schuren langs elkaar. De in westerse oren vals klinkende oosterse toonladders worden niet geschuwd, zoals blijkt uit de kwartnoten die uit het orgeltje komen in Palmyra, het toegankelijkste nummer op het album. De muzikale ontmoeting tussen Oost en West leidt op Ahwar nergens tot exotisme.

Jane Weaver
Het enige teleurstellende optreden dat ik tijdens Le Guess Who zag was van Jane Weaver. Het eerste nummer beloofde een pittige set Britse krautrock, maar toen moest de gitarist zijn gebroken snaar vervangen en ging de geest voortijdig terug in de fles. De zangeres uit Manchester doodde de tijd door met de overige muzikanten een spontane improvisatie in te zetten waarin niemand zich durfde te laten gaan. Na de terugkeer van de gitarist bleef de band in de vier nummers die ik nog zag hangen in trage discoritmes waar te weinig variatie in viel te ontdekken.

Sarah Davachi

Sarah Davachi
Het zondagje Le Guess Who begon voor mij ’s middags in theater De Kikker. De Canadese muzikant Sarah Davachi joeg daar in de loop van haar optreden met langgerekte elektronische tonen voldoende mensen weg om plaats te maken voor nieuwe belangstellenden die het ook niet allemaal lang volhielden. Het optreden had goed gepast tijdens 12-Hour Drone dat verderop in de stad plaatsvond in de Pastoefabriek. Hoge feedbacknoten hadden de overhand tijdens de drie kwartier durende improvisatie. Ze overstemden de orgelnoten die in de verte als drukke mieren over elkaar heen krioelden. Het was niet duidelijk of de feedback bewust werd voortgebracht of dat mijn resonerende trommelvliezen voor de boventonen zorgden. Door de herhaling van noten leek het ook alsof de elektronische geluidsbron bestond uit samples van Sarah Davachi’s eigen stem en dat we luisterden naar een koor dat woordloos zong zonder ademhaling. Naast me zat een van de toehoorders te knikkebollen, wat volgens mij de beste manier is om de muziek tot je te nemen.

Juana Molina
De blijmoedige liedjes van Juana Molina uit Buenos Aires klonken in zaal Pandora in TivoliVredenburg op het eerste gehoor eenvoudiger dan ze in werkelijkheid zijn. De repetitieve gitaarloopjes waren niet constant hetzelfde. Molina liet de loopjes herhalen en voegde tegelijk nieuwe partijen toe. De muziek bleef spannend vanwege de verschuivende accenten in de ritmes, enkele onregelmatige maatsoorten en dissonante tweestemmige zangpartijen. Op de karakteristieke, ietwat onvaste zang van Molina zat vaak een vervreemdend effect, alsof ze met dubbele stem zong. De muziek deed me soms denken aan de Japanse muzikant Cornelius – poppy, maar net even te afwijkend om door popzenders opgepikt te worden.

Linda Sharrock
Zangeres Linda Sharrock (Philadelphia, 1947) werd in 2009 getroffen door een beroerte en is sindsdien zeer beperkt in haar expressievermogen. Dat weerhoudt haar niet om te blijven optreden met haar free jazz. Op de laatste dag van Le Guess Who werd haar rolstoel tot aan de deur naar het podium gereden. Van daaruit werd ze naar de zangzetel begeleid door haar vaste muzikale begeleider Mario Rechtern. De saxofonist/klarinettist naam plaats aan de rechterkant van het podium en startte samen met twee gitaristen (onder wie Jasper Stadhouders), een bassiste en drummer Onno Govaert een volumineuze vrije improvisatie waarmee de band binnen enkele minuten de eerste toehoorders de zaal uit kreeg. Terwijl de muzikanten met veel geweld dwars tegen elkaar in speelden keek Sharrock af en toe opzij en zo min mogelijk richting het publiek voordat ze haar eerste kreten slaakte. Een overijverige cameraman waande zich ondertussen het zevende bandlid.

Linda Sharrock

Sharrock kan niet meer praten. Haar vocabulaire is tegenwoordig noodgedwongen beperkt tot uitgerekt wa’s en wo’s. Haar oerkreten klonken in Utrecht als dialogen uit de Franse anarchistische film Themroc (1973). Je kon ze interpreteren als basale uitingen van woede, frustratie of pijn. Gitarist Max Bogner alias Margaret Unknown schreeuwde een paar keer door een vervormde microfoon met de zangeres mee. De lange muzikant sprong vanwege zijn gejaagde bewegingen het meest in het oog. Door alle onbeheerste handelingen raakte zijn gitaarriem los. De harde klap van de gitaar tegen het podium paste prima bij een optreden van een band die dreunen wilde uitdelen. Linda Sharrock maakte indruk met haar band, niet omdat ze de mooiste muziek van de dag voortbracht, maar omdat ze deze zondag de meest radicale muzikant was.

Happy End (Michael Haneke, 2017)

wo, 11/22/2017 - 22:30

Het gaat te ver om de nieuwste film van Michael Haneke een komedie te noemen, maar er werd vorige week vrijdag in Rialto zowaar een paar keer hardop gelachen. Happy End is een afstandelijke satire over de trage ondergang van de bourgeois familie Laurent in Calais. Het eerste teken van verval is de wand die instort op een bouwterrein van het familiebedrijf.

Een van de getuigen van de ondergang van de Laurent-dynastie is het twaalfjarige nichtje Eve (Fantine Harduin). We hebben Eve aan het begin van Happy End leren kennen aan de hand van enkele filmpjes die ze met haar mobieltje heeft gemaakt. Het meisje vergiftigt in een van de filmpjes haar hamster door medicijnen van haar moeder in het voer stoppen. Niet veel later is moeder zelf het slachtoffer. In afwachting van moeders herstel in het ziekenhuis logeert Eve in Calais bij haar vader Thomas (Mathieu Kassovitz) waar ze kennis maakt met onder anderen tante Anne (Isabelle Huppert) en de hoogbejaarde pater familias George (Jean-Louis Trintignant). Als Eve door Thomas’ tweede vrouw Anaïs (Laura Verlinden) gevraagd wordt om op de baby te passen, houd je je hart vast.

Happy End (Fantine Harduin)

Haneke varieert in Happy End op minder scherpe wijze op thema’s die hij eerder in zijn oeuvre aan een nader onderzoek heeft onderworpen. De filmpjes van Eve doen denken aan de video’s van de moordende Benny in Benny’s Video (1992). De bewakingscamera op het bouwterrein kijkt net zo onbewogen naar de wereld als de geheimzinnige camera die in Caché (2005) staart naar het huis van Georges Laurent (Daniel Auteuil). Zoals gebruikelijk hebben personages namen die we kennen uit eerdere films van Haneke. George is niet alleen de naam van Trintignants personage in Amour (2012), maar ook die van het hoofdpersonage in Hanekes eerste speelfilm Der Siebente Kontinent (1989). Meestal is George een oudere vaderfiguur. De moederfiguur Anne Laurent is ook weer present, ditmaal vertolkt door Isabelle Huppert die voor het eerst een Anne Laurent speelde in Le Temps Du Loup (2003). Haneke lijkt met de telkens terugkerende namen te willen zeggen dat de mens (inclusief de Franse bourgeoisie) niet in staat is te veranderen en voorbestemd is om altijd dezelfde soort fouten te maken.

Happy End (Isabelle Huppert)

De kwade inborst lijkt aangeboren. Tiener Eve heeft geen geweten en toont geen enkele empathie. Ze kan slechts huilen over haar eigen leed. De volwassenen geven haar constant het verkeerde voorbeeld. Filmpjes op YouTube zijn al helemaal geen goede raadgevers. De familie wordt te veel door de eigen besognes in beslag genomen om tijd te hebben voor zorgen over de medemens.

Happy End (Jean-Louis Trintignant)

Michael Haneke past weer een fragmentarische montage toe. Bij eerdere films hielp het dat het onderscheid tussen verschillende scènes werd aangegeven met een kort zwart beeld. Die onderbreking laat hij tegenwoordig achterwege en daarom is het voor de kijker soms lastig om direct verbanden tussen de scènes te ontdekken. Het lukt daardoor niet om de personages goed te doorgronden en dat is natuurlijk precies te bedoeling aangezien zij elkaar ook niet echt goed kennen. De fragmentarische montage benadrukt het gebrek aan cohesie binnen de familie. Ook in de lange shots komen we niet dichter bij de personages omdat de camera op grote afstand blijft toekijken. We staan tijdens die momenten te ver om de dialogen te kunnen verstaan.

De film neemt een paar keer flinke happen uit de tijd en brengt de kijker daarmee bewust in een verwarring. We kunnen zo een klein beetje ervaren hoe de dementerende George zijn laatste levensfase beleeft. Hij doet meerdere pogingen om aan zijn bestaan te ontvluchten. Het is niet de eerste keer dat een personage in een film van Haneke een doodswens heeft, maar het is wel voor het eerst dat de regisseur er een komische draai aan geeft. Tijdens een van de vluchtpogingen spreekt George mensen aan waarvan ik me pas laat realiseerde dat het Afrikaanse vluchtelingen zijn.

Happy End (Franz Rogowski)

Het verhaal speelt zich weliswaar af in de straten van Calais, maar de hele vluchtelingenproblematiek gaat aan de Laurents voorbij en dus blijven de Afrikaanse mannen figuranten. Voor hen ligt een happy end onbereikbaar aan de overkant van de zee. Pierre (Franz Rogowski) is de enige die zich hun lot lijkt aan te trekken, maar de impulsieve zoon van Anne kan zijn frustraties alleen maar uiten wanneer hij te veel heeft gedronken. Het maakt hem tot een van de tragische figuren in het verhaal.

7/10

A Ghost Story (David Lowery, 2017)

wo, 11/15/2017 - 22:20

Er zijn meerdere redenen om A Ghost Story te willen zien. Een van die redenen is de monoloog van zanger Will Oldham.

Will Oldham is vooral bekend als singer-songwriter en minder vanwege zijn activiteiten als acteur. Toch kwam hij vanwege zijn acteerwerk voor het eerst in de internationale schijnwerpers te staan. De rol van mijnwerkerszoon Danny in Matewan (John Sayles, 1987) is een van zijn beste. Daarna dook hij af en toe met een enkele hoofdrol en veel bescheiden bijrolletjes op in kleine Amerikaanse indiefilms waarvan de meeste niet of nauwelijks in Nederland te zien waren. Alleen het drama Old Joy van Kelly Reichardt uit 2006 is een paar keer op de Nederlandse televisie uitgezonden.

Will Oldham in A Ghost Story

Oldham is in A Ghost Story slechts kortstondig van de partij, maar hij heeft wel het hoogste woord en meer tekst dan de hoofdrolspelers bij elkaar. De zanger heeft de taak gekregen om uit te leggen waar de film over gaat. Meestal is dat geen goed idee, want een goede film behoeft geen uitleg. Will Oldhams bijdrage is een ontnuchterend intermezzo dat vanwege de komische uitvoering een relativerende draai geeft aan een film waarin poëtische ernst overheerst.

Het spook uit de titel (Casey Affleck onder een wit laken) wandelt ongezien door een huis langs dronken dansende mensen en staat stil bij de tafel waar Will Oldham als de Prognosticator in gesprek is met andere bierdrinkers. De Prognosticator tempert de feestvreugde met een monoloog over vergankelijkheid. Begeleid door het popdeuntje Last One van Stereo Jane (dat halverwege wordt vervangen door de negende van Beethoven) vertelt Oldham met nauwelijks ingehouden sadistisch genoegen over de meesterwerken van de grote romanschrijvers en componisten die ooit vergeten zullen worden. De aarde zal immers vergaan en het universum zal imploderen. Alle meesterlijke boeken en symfonieën zijn geschreven om onsterfelijkheid te verwerven, maar er komt een moment dat er niemand meer is om al dat moois te herinneren. En God bestaat niet, dus voor hem hoef je ook geen moeite te doen.

A Ghost Story (Casey Affleck en Rooney Mara)

Tijd is de grote speler in A Ghost Story. Tijd kan soms uitgerekt worden, merkt de jonge vrouw M (Rooney Mara) na de dood van haar partner C (Affleck). Haar uitgerekte rouwperiode wordt verbeeld in een onvergetelijke scène van bijna acht minuten die zich afspeelt in de keuken en waarbij een taart het belangrijkste rekwisiet is. Het spook heeft het tegenovergestelde gevoel. Bij hem vliegt de tijd door de vingers en gaan jaren en eeuwen net zo snel voorbij als bladzijden die door de wind worden omgeslagen.

Het is een zot idee om de hoofdrol te geven aan een zwijgend personage dat het merendeel van de film onder een laken verborgen blijft, maar het werkt wonderwel in A Ghost Story. Het eenvoudige kostuum blijkt heel esthetisch; in de buitenlucht maakt de wapperende stof een gracieuze verschijning van het spook. C is een anonieme alleman geworden. Iedereen kan onder het laken zitten en dus ook de toeschouwer, al kijken we niet rechtstreeks mee door de twee gaten die zijn uitgeknipt. Het laken zorgt ervoor dat het spook zich langzaam moet voortbewegen; de traagheid van bewegingen maakt hem extra tragisch. Hij is niet meer in staat om mee te gaan met de tijd en kan niets anders doen dan passief toekijken vanaf de zijlijn.

8/10

Jupiter’s Moon (Kornél Mundruczó, 2017)

wo, 11/08/2017 - 10:18

Syrische vluchteling Aryan Dashni probeert aan het begin van Jupiter’s Moon met enkele familieleden de Hongaarse grens over te steken. Hij wordt op de vlucht neergeschoten. In plaats van te bezwijken aan zijn verwondingen stijgt de man ten hemel en begint voor hem een wonderbaarlijk avontuur waarin hij een speelbal is van corrupte ambtenaren.

Je zou verwachten dat Aryan (Zsombor Jéger) het belangrijkste personage is in Jupiter’s Moon, maar in de praktijk speelt hij slechts een belangrijke bijrol. De film focust zich voornamelijk op de cynische arts Gabor Stern (Merab Ninidze). Hij haalt Aryan weg uit de ziekenboeg van het overvolle vluchtelingenkamp en gebruikt diens speciale gave om er een schuld mee af te lossen. De twee worden constant op de hielen gezeten door grensagent László (György Cserhalmi), de man die de kogels op de vluchteling afvuurde. Als de jonge Serviër wordt verdacht van betrokkenheid bij een terroristische aanslag wordt hij de meest gezochte persoon in Hongarije.

Aryan (Zsombor Jéger) op de vlucht in Jupiter’s Moon

Hongaarse regisseur Kornél Mundruczó strooit met religieuze symboliek en gooit zijn film vol met actiescènes. De symbolen en hun mogelijke betekenis leggen het af tegen speciale effecten en vele achtervolgingen. Er zitten een paar scènes in die vanwege de technische vindingrijkheid op zichzelf staand zeker indruk maken. Het eerste indrukwekkende moment begint vroeg tijdens de risicovolle grensovertocht wanneer we de rennende vluchtelingen volgen in het bos en het lijkt alsof de camera dwars door bomen gaat om de actie goed in beeld te krijgen. Meerdere scènes zijn in een schijnbaar ononderbroken shot vastgelegd in een poging een onrealistische situatie geloofwaardig over te brengen. Mundruczó heeft zich overduidelijk laten inspireren door Children Of Men (2006). Het grote nadeel is dat het technische vernuft een doel op zich wordt in plaats van een aanvulling op het achterliggende thema van het verhaal.

De auto-achtervolging door de stad wordt niet spannender omdat de camera heel lang zonder onderbreking vanuit het perspectief van een bumper uitkijkt op een vluchtauto. Het enige waar ik tijdens de achtervolging aan moest denken was hoeveel inspanning het gekost moet hebben om een heel groot deel van de stad speciaal voor deze scène af te zetten. De climax in het hotel wordt uit de hand in lange shots gedraaid en ook hier geldt hetzelfde euvel: de spanning blijft uit omdat een camera heel lang achter de schietgrage László aan blijft lopen. Vaak is de uitkomst van een scène geen verrassing meer, zoals in de metro, waardoor het geheel nog langer aanvoelt dan de daadwerkelijke filmminuten. Alle aandacht voor technische perfectie gaat soms ten koste van logica en continuïteit. Zo wordt tijdens een schermutseling tussen László en Gabor een lift door middel van kogels onklaar gemaakt en blijken de knoppen in dit transportmiddel later op onverklaarbare wijze ongeschonden.

Jupiter’s Moon (Merab Ninidze)

De zwevende Aryan levert mooie plaatjes op omdat ook de camera de regels van de zwaartekracht aan zijn laars lapt. Dat is echter onvoldoende om geboeid te blijven; op een gegeven moment is de vliegende Syriër niet meer dan een gimmick. Aryan is een superheld met toenemende krachten waarmee hij zelfs een huiskamer op zijn kop kan zetten. Zijn vliegvermogen roept de vraag op waarom hij het slaafje blijft van Gabor en niet richting een beter heenkomen zweeft. De corrupte Gabor is een te afstandelijk personage om emotionele betrokkenheid te voelen wanneer hij tot bezinning komt en zijn fouten inziet. Het helpt niet dat de Russische acteur Merab Ninidze wordt nagesynchroniseerd.

Jupiter’s Moon is geïnspireerd door de actuele vluchtelingencrisis en de westerse reactie daarop, maar heeft daar weinig zinnigs of nieuws over te melden. Kornél Mundruczó solliciteert met zijn film te nadrukkelijk naar een regie-opdracht bij Marvel of een van de andere superheldenfabrieken in Hollywood.

5/10

Algiers live @ Paradiso, Amsterdam (2 november 2017)

zo, 11/05/2017 - 22:00

Wie donderdagavond behoefte had aan bezinning kon terecht in de grote zaal van Paradiso en zich laten meeslepen door de uitgesponnen instrumentale muziek van Godspeed You! Black Emperor. Wij hadden meer zin in beroering en kozen daarom voor het naprogramma in de kleine zaal waar de Amerikaanse band Algiers op bevlogen wijze gospel koppelde aan postpunk.

Het kwartet Algiers uit Atlanta, Georgia is een amalgama van radicale muzikale en politieke invloeden. De naam is geïnspireerd door de film The Battle Of Algiers (1966) over de onafhankelijkheidsstrijd in Algerije ten tijde van de Franse overheersing. De vele inspiratiebronnen van de band maken vrijwel allemaal hun opwachting in de videoclip bij de single Blood (*). Ook op het podium citeert zanger/gitarist Franklin James Fisher uit het roerige verleden, onder meer door zijn vuist omhoog te houden zoals medaillewinnaars Tommie Smith en John Carlos deden tijdens de Olympische Spelen van 1968 in Mexico. Meerdere keren zakt hij door zijn knieën om zijn gitaar te bespelen op dezelfde wijze als Jimi Hendrix.

Algiers met drummer Matt Tong, zanger Franklin James Fisher en gitarist Lee Tesche.

Fischer hoeft zijn instrument niet in de fik de steken om voor vuurwerk te zorgen. Als hij achter zijn elektronische piano vandaan komt springt en tolt hij wild over het podium. De zanger heeft gezien het huidige Amerikaanse politieke klimaat alle reden om zich druk te maken, zijn stem te verheffen en zijn woede publiekelijk te uiten. Het slavernijverleden echoot in het nummer Cleveland in de vorm van een slavenkoor dat als een spookverschijning uit de apparatuur van bassist Ryan Mahan opstijgt. Op de albums Algiers (2015) en The Underside Of Power (2017) mengt de band gospel met postpunk. De jaren tachtig overheersen in de elektronica van Mahan en de geprepareerde gitaar die Lee Tesche bespeelt met een ketting of drumstokken. De soul van Otis Redding en James Brown wordt omringd door industriële klanken uit de tijd van Einstürzende Neubauten en Throbbing Gristle.

Bands uit de jaren tachtig zoals Neubauten maakten indertijd een soundtrack die paste bij de gedachte dat er spoedig een einde zou komen aan de mensheid. Dat doemdenken is dankzij het oranje monster in het Witte Huis sterker dan ooit teruggekeerd. Algiers zal dat beamen, maar laat een nihilistische houding totaal achterwege. De strijdlust van Franklin James Fisher uit zich in zijn teksten, zijn bezeten manier van zingen en zijn vurige performance. Tot tweemaal toe springt hij het podium af om ons bijna letterlijk bij de schouders te pakken en door elkaar te schudden. Hij raast langs de toeschouwers en stoot ondergetekende welhaast ondersteboven. Je zou bijna denken dat hij nu al alles heeft gegeven, terwijl de Europese tournee van Algiers nog maar net is begonnen. Vanavond is het slechts een van de microfoons die het halverwege het optreden begeeft en weigert verder dienst te doen.

Algiers: bassist Ryan Mahan en Franklin James Fisher.

Op de cassette September 2017, die na afloop van het optreden gekocht kon worden, toont de band zich van een andere, veel meer ingetogen kant. De muzikanten zijn filmliefhebbers dus het zou me niet verbazen als we binnenkort speciaal gecomponeerde muziek van Algiers horen op de soundtrack van een nieuwe speelfilm.

(*) De fragmenten in de video bij Blood zijn zo kort dat je onmogelijk in één keer alle invloeden kunt herkennen. Dit zijn enkele van de gezichten die voorbijkomen: Nina Simone, Jimi Hendrix, Charles Mingus, Gil Scott-Heron, Public Enemy, MC5, Fela Kuti, Fugazi, John Lydon en Keith Levene van PIL, Massive Attack, Big Black, Rowland S. Howard in Der Himmel über Berlin, Sun Ra, Lydia Lunch, Einstürzende Neubauten, Andrej Tarkovski, Spike Lee, John Waters, Sergio Leone, Ennio Morricone (componist van onder andere The Battle Of Algiers) John Cassavetes, John Cage, The Clash, The Gun Club, The Birthday Party bij de VPRO, Suicide, Sonic Youth, Arto Lindsay met DNA, Philip Glass, Mike Watt plus vele zwarte activisten, intellectuelen en vrijheidsstrijders zoals Martin Luther King, James Baldwin en Nelson Mandela.

Southern Lord Europe Festival in de Melkweg Amsterdam (29 oktober 2017)

di, 10/31/2017 - 22:05

Big Brave

De Europese tak van Southern Lord Records presenteerde zondag een dwarsdoorsnede van de catalogus met een eigen festival in de Melkweg. Het oorspronkelijk Amerikaanse label brengt meer dan louter metal uit zoals bleek uit het gevarieerde programma. De enige constante was het luide volume waarmee de bands hun muziek uitvoerden. Verspreid over de Melkweg adviseerden meerdere posters om toch vooral gehoorbescherming te gebruiken. Bij de afsluitende band kon het ook geen kwaad om het centrale zenuwstelsel te beschermen.

Sunn O))), Magma en Unsane waren op papier de grootste attracties op het festival van Southern Lord Europe. Deze drie bands stonden dan ook als laatste gepland. Het festival werd in de oude zaal van de Melkweg geopend door de Amsterdamse band Vitamin X. Binnen het half uurtje dat ze tot hun beschikking hadden werkten de muzikanten er een stuk of tien doorsnee hardcore punksongs doorheen, met vocalist Marko Korac en zijn karatetrappen als vrolijk middelpunt. Korac werd geflankeerd door twee hardrockgitaristen die naast riffs en solo’s ook geijkte rockposes ten beste gaven.

Het tempo van tweede band Big|Brave lag zo laag dat één nummer van Vitamin X moeiteloos binnen één maat van het Canadese trio paste. De trage riffs grepen terug op het massieve geluid van oude Swans aangevuld met de dreunende grondtonen van Sunn O))). De hoge kreten van gitarist en zangeres Robin Wattie worden in recensies met veel zangeressen vergeleken, maar deden mij nog het meeste denken aan Kazu Makino van Blonde Redhead. De lange nummers van Big|Brave bleven spannend vanwege de leegte die Wattie en tweede gitarist Mathieu Bernard Ball tussen de snaaraanslagen lieten hangen. De niet 100% geconcentreerde drummer Louis-Alexandre Beauregard sloeg zelden op meerdere drumonderdelen tegelijk. Zijn spel was zo spaarzaam dat je hem regelmatig meer zag tellen dan drummen.

Het festival van Southern Lord begon aan het eind van de middag. Helaas waren het restaurant en het café gesloten. Rond etenstijd was in de hele Melkweg niets eetbaars te vinden. Bezoekers moesten noodgedwongen het pand tijdelijk verlaten om ergens aan de Leidsestraat een eettent binnen te vallen voor de broodnodige snelle hap. Het rampzalige Okkultokrati gaf daar alle reden toe. Een fantasieloos drummer speelde tijdens uptempo nummers telkens hetzelfde saaie galopperende drumpatroon. Twee gitaristen verzopen in een rommelige mix waarin geluiden uit synthesizer en andere elektronica de overhand hadden. Na mijn uitstapje naar het Leidseplein kwam ik te laat terug om nog iets substantieels mee te pikken van de crust punkers Wolfbrigade.

Circle (bron: YouTube)

Een van de meeste geslaagde optredens tijdens het festival was zonder meer dat van het Finse gezelschap Circle. Hun muziek is sinds de oprichting in 1991 niet vast te pinnen op één genre of stijl. Zelf hoor ik het liefst hun uitgesponnen krautrock-escapades; de metal-uitstapjes kunnen me eerlijk gezegd gestolen worden. Live gooiden de Finnen al hun favoriete genres in een kokende pan en kwamen ook prog-rock, folkrock en avantrock voorbij. Het bandgeluid was heel vol, maar de geluidsman zorgde ervoor dat alle partijen van de drummer, bassist, toetsenist en drie gitaristen duidelijk van elkaar waren te onderscheiden.

Magere toetsenist Mika Rättö had in zijn bruine leren jack en lange spandex broek een centrale rol als paljas en kruising tussen Freddie Mercury en Raspoetin. Hij wisselde zijn spel af met ballethoudingen en amoureuze onderonsjes met beervormige bassist, oprichter en enige originele bandlid Jussi Lehtisalo. Rättö zat onhoorbaar heel enthousiast door de muziek heen te roepen en wanneer hij een nummer mocht aankondigen deed hij dat in onvertaald Fins. Meerdere keren laste hij fotomomenten in, onder meer door als een diplomaat langdurige een van zijn bandleden de hand te schudden en aan het eind van de show door de hele band uit te nodigen voor een tableau vivant. Alle tentoongespreide gekte op het podium stond een soepele uitvoering geenszins in de weg.

Magma

Muzikaal gezien was de stap van Circle naar Magma niet heel erg groot, maar de humor van Circle ontbrak volledig bij de klassiek getrainde drummer Christian Vander en zijn band. Het Franse Magma maakt sinds 1969 in wisselende bezettingen een onvergelijkbare vorm van symfonische rock met onder meer invloeden uit minimal music. Bij de complexe en zeer uitgebreide composities valt vooral het koorwerk van de zangers en zangeressen op. Zangeres Stella Vander vertelde voor aanvang van het optreden dat een deel van het instrumentarium ergens tussen Kopenhagen en Amsterdam was blijven steken. Dankzij medewerking van de Melkweg konden diverse onderdelen geleend worden van hoofdstedelijke muzikanten en hoefde het optreden niet afgelast te worden. De muzikanten hadden geen partituren nodig en speelden de snelle noten en maatwisselingen zonder probleem uit het hoofd. De harmonieën van de staccato gezongen partijen zorgden ervoor dat het koor groter klonk dan de drie mensen die het merendeel van de zang voor hun rekening namen. De geperfectioneerde uitvoering en de gefantaseerde taal afkomstig van de fictionele planeet Kobaïa maakten de lange nummers ietwat afstandelijk. Magma richt zich meer op het hoofd dan op het hart.

Unsane

De laatste keer dat ik Unsane op precies hetzelfde podium live zag spelen was in augustus 1996 toen het trio in het voorprogramma stond van Neurosis. Unsane maakt nog steeds onverminderd zware noiserock, opgehitst door de swingende ritmesectie van bassist Dave Curran en drummer Vincent Signorelli. Het is opgefokte grotestadsmuziek waar het bloed vanaf druipt. Gitarist Chris Spencer verpakt zijn woede en frustraties in nihilistische teksten. Om zijn stem te sparen wisselde hij de schreeuwvocalen af met Curran. De drums van Signorelli vormden zowel muzikaal als visueel het middelpunt. Hij hield in zijn machinale spel veel ruimte open voor de vlotte loopjes van de bassist. De resulterende zware groove was opbeurend genoeg om de sombere teksten te vergeten en niet depressief de zaal te verlaten.

Afsluiter Sunn O))) had een Mexicaanse muur aan versterkers achter zich opgesteld voor het opwekken van onderaards rumoer. Optredens van de band geven het gevoel dat je niet in een concertzaal staat maar in een reusachtige magnetron. Bij Sunn O))) ben je overgeleverd decibellen en het beest. Dat beest is de Hongaarse vocalist Attila Csihar. Hij werd in de Max omgeven door een helse oranje gloed en begon solo met duivels klinkend geprevel. Alleen tijdens de paar Engelse woorden die hij liet ontglippen leek hij op een parodie van Bela Lugosi. De decibellen volgden niet lang daarna, nadat vier mannen (onder wie Stephen O’Malley en Greg Anderson) in monnikspijen het podium op waren gestapt en met hun gitaren en analoge synthesizers een drone opwekten die het hele gebouw en alle vezels in het lichaam deden trillen.

Sunn O)))

Sunn O))) teisterde niet alleen de gehoororganen, maar haalde de toehoorders ook uit hun evenwicht. De gitaren daverden nog geen tien minuten toen een man voor me met een klap tegen de vlakte ging. Hij kwam gelukkig snel weer bij kennis en werd door een maatje van hem voor alle zekerheid naar een veiliger oord verplaatst. Meer slachtoffers heb ik niet geteld. De reus die schuin voor me op LSD stond te trippen – en menigmaal de zwaartekracht tartte door achterover te leunen en naar het plafond te staren – bleef wonderwel op beide platvoeten staan.

Voordat Attila Csihar terugkeerde in zijn wonderlijke zilverkleurige pak en de basnoten op hun luidst klonken, was er een moment van bezinning waarbij een van de toetsenisten op trombone zowaar een gevoelvolle jazzsolo speelde die als een lichtstraal de mist uiteen sneed. Zo werd Sunn O))) meer dan enkel een onaangenaam aanvoelende fysieke ervaring.

Loving Vincent (Dorota Kobiela & Hugh Welchman, 2017)

vr, 10/27/2017 - 20:06

Het bijzondere project Loving Vincent is gemaakt met behulp van rotoscoop, olieverf en honderd schilders. Het werk van Vincent van Gogh komt in de film in beweging tijdens een zoektocht naar de omstandigheden rondom de dood van de schilder. Heeft hij daadwerkelijk zelfmoord gepleegd of is hij vermoord?

Loving Vincent is een Brits/Poolse coproductie met bijdragen van Ierse en Amerikaanse acteurs en actrices. Vincent van Gogh wordt door Poolse acteur Robert Gulaczyk gespeeld en het Franse personage Joseph Roulin (Chris O’Dowd) heeft een Iers accent. Vreemd genoeg heeft Roulins zoon Armand (Douglas Booth) een Londense tongval. Je zou verwachten dat Vincent van Gogh het hoofdpersonage is. In plaats daarvan staat Armand Roulin centraal en zijn reis om een brief van de overleden schilder te overhandigen aan diens broer Theo. Armand komt onderweg mensen tegen die ooit door Van Gogh zijn geportretteerd. Hun getuigenissen wakkeren bij de briefbezorger een theorie aan over een mogelijke moord. Hij raakt er steeds meer van overtuigd dat Van Gogh geen zelfmoord heeft gepleegd. Loving Vincent is daardoor meer een verkapt moordmysterie met Armand als amateurdetective dan een portret van een van de meest tot de verbeelding sprekende schilders uit de kunstgeschiedenis.

Loving Vincent (Douglas Booth als Armand Roulin)

De bewegende schilderijen dienen als decor voor flashbacks en lange dialogen. Vrijwel alles wat we te zien krijgen wordt vergezeld door een stem die vertelt wat we zien. Geen enkele flashback krijgt de kans om een eigen leven leiden. Door de tussenkomst en constante aanwezigheid van Armand Roulin blijft Vincent van Gogh op afstand en daarmee ook zijn dramatische laatste levensperiode. Armand loodst ons als een praatzieke gids langs de beroemde portretten en landschappen en heeft vaak ruzie met zijn gespreksgenoten. Zijn drankzucht en driftbuien maken verder geen heel erg boeiend personage van hem en zijn complottheorieën leiden de aandacht af van de kleurrijke kunstwerken.

De schilderijen komen in Loving Vincent tot leven, maar Vincent van Gogh zelf niet.

5/10

Mr. Horror’s Halloween Horror Show – een vooruitblik

ma, 10/23/2017 - 21:01

Mr. Horror’s Halloween Horror Show is een nachtelijke horrormarathon die op zaterdag 28 oktober tientallen bioscopen in Nederland zal veranderen in een spookhuis. Veel horrorfanaten kijken vooral uit naar de première van Jigsaw. Met de gebroeders Spierig (Daybreakers, Predestination) achter de camera zou dat eindelijk een interessante toevoeging kunnen zijn aan de langlopende filmreeks Saw. Of wordt The Autopsy Of Jane Doe het hoogtepunt van de filmnacht? Hieronder is te lezen wat je zoal te wachten staat.

The Autopsy Of Jane Doe

The Autopsy Of Jane Doe

De beste van de vier films op Mr. Horror’s Halloween Horror Show is waarschijnlijk The Autopsy Of Jane Doe (André Øvredal, 2016). André Øvredals vorige film Troll Hunter was in 2011 een aangename genreverrassing in de Nederlandse bioscopen, dus de verwachtingen voor zijn eerste Amerikaanse speelfilm waren hoog. De regisseur blijkt ook binnen een afgesloten locatie goed uit de voeten te kunnen. Vanaf het moment dat het levenloze lichaam van een onbekende vrouw (Olwen Catherine Kelly) wordt binnengereden in Tilden Morgue & Crematorium komen we de werkplaats van lijkschouwer Tommy Tilden (Brian Cox) en zijn zoon Austin (Emile Hirsch) niet meer uit. Het is net na sluitingstijd en vader en zoon hebben al een zware werkdag achter de rug. Tijdens hun onderzoek naar de doodsoorzaak van Jane Doe openen ze een doos van Pandora die beter gesloten had kunnen blijven.

De autopsie in The Autopsy Of Jane Doe laat weinig aan de verbeelding over. De film heeft echter veel meer te bieden dan de inhoud van een opengesneden lichaam. De spanning wordt zorgvuldig opgebouwd, onder meer door de aanwezigheid van een radio in de autopsieruimte waarop een onverwachte storm wordt aangekondigd en onheilspellende liedjes worden gedraaid. Øvredals schuwt luide muziek niet om zijn kijkers te laten schrikken, maar hij weet ook dat een zacht rinkelend belletje voldoende is voor het creëren van ongemak in de filmzaal. Brian Cox en Emile Hirsch krijgen voldoende achtergrond mee om hun personages inhoud te geven. De bizarre autopsie op het mysterieuze lichaam brengt bij Tommy onverwerkte rouw en schuldgevoelens naar boven over de zelfgekozen dood van zijn echtgenote. Dat onderliggende menselijke drama, aangevuld met relativerende humor, geeft de aaneenschakeling van bloedige absurditeiten precies de juiste dosis diepgang.

It Stains The Sands Red

It Stains The Sands Red

Zombiefilm It Stains The Sands Red (Colin Minihan, 2016) is helaas slechts voor de helft geslaagd. Stripper Molly (Brittany Allen, ook te zien in Jigsaw) probeert met haar vriendje per auto een zombie-epidemie in Las Vegas te ontvluchten. Onderweg naar een klein vliegveld stranden ze in de woestijn. Molly moet in haar eentje te voet verder, op de hielen gezeten door zombie Smalls (Juan Riedinger). Het sensationele openingsshot, gefilmd boven brandend Vegas, staat in groot contrast met de minimalistische invulling van de rest van de film. Molly en haar levende dode stalker zijn lange tijd de enige twee personages in het verdorde landschap. De vrouw denkt dat ze het vliegveld lopend op haar hoge hakken kan bereiken dankzij voldoende water en een voorraadje cocaïne. Smalls strompelt achter haar aan en doet dat langzaam genoeg om op veilige afstand te blijven.

De relatie tussen Molly en haar hongerige achtervolger maakt van It Stains The Sands Red heel even een horrorkomedie over vrouwen en hun relatie met carrièremannen die zich als roofdier gedragen, wat heel actueel is gezien de affaire Weinstein. De film stelt de vraag of dit soort roofdieren nog te temmen zijn. Molly gebruikt haar vrouwelijkheid als wapen met op zijn minst één onsmakelijke grap als doeltreffend resultaat. Na een zandstorm is het beste deel van de film voorbij. Een nare verkrachtingsscène laat er geen twijfel over bestaan dat It Stains The Sands Red niet langer meer een horrorkomedie is. Het script neemt een moralistische houding ten opzichte van Molly; het hoofdpersonage wordt gestraft omdat ze een slechte moeder is geweest. Ze moet het gevecht met andere zombies aangaan om te bewijzen dat ze wel degelijk geeft om het kind dat ze ooit aan pleegouders heeft afgestaan.

De tweede helft van It Stains The Sands Red biedt niets dat al eerder en beter is uitgewerkt in de overdosis aan zombiefilms die de laatste jaren over ons zijn uitgestort. De kwaliteit van het acteerwerk van de bijrolspelers laat te wensen over. Brittany Allen ontmoet naast zombies nogal wat mannelijke tegenspelers die duidelijk moeite hebben om zich in hun korte rol in te leven en dat euvel compenseren door flink te schmieren.

Als ik me niet vergis loopt Molly op een gegeven moment in een buitenwijk door de straat waar FBI-agent Dale Cooper/Dougie Jones in Twin Peaks: The Return een tijdje achter een rode deur heeft gewoond met zijn vrouw Janey-E. Het feit dat ik naar een rode deur zat te speuren zegt genoeg over mijn afgenomen interesse in het lot van Molly.

Don’t Hang Up

Don’t Hang Up

De internetthriller Don’t Hang Up (Damien Macé & Alexis Wajsbrot, 2016) is de minst geslaagde film van de vier die tijdens Mr. Horror’s Halloween Horror Show draaien. Vriende Sam (Gregg Sulkin) en Grady (Garrett Clayton) pesten via de telefoon willekeurige vreemdelingen en leggen hun kwajongensstreken vast op filmpjes die ze verspreiden via vlogs. Ze gaan daarbij heel ver en tonen geen enkel medeleven met hun slachtoffers. Nog voordat de openingstitels zijn gepasseerd heeft ieder weldenkend mens al een bloedhekel aan deze zelfgenoegzame jongens. Gelukkig worden ze flink gestraft als op een avond de rollen worden omgedraaid en ze zelf het slachtoffer zijn van een ongewenste beller.

Net als in The Autopsy Of Jane Doe en het meest geslaagde deel van It Stains The Sands Red speelt Don’t Hang Up zich voornamelijk af op één locatie, in dit geval in en om het huis van Sam. De claustrofobische sfeer werkt in het voordeel van de film. Het camerawerk van Nat Hill is heel beweeglijk en verraadt zijn achtergrond als filmer van videoclips en muziekprogramma’s. Dankzij digitale trucages maakt de camera wendingen door de woning die in werkelijkheid onmogelijk zijn. Te zien is hoe de lens in een vloeiende beweging met groot gemak door meerdere sleutelgaten zweeft. Het is een trucje dat regisseur David Fincher al in 2002 heeft geperfectioneerd in Panic Room.

Don’t Hang Up heeft geen verrassingen in petto. De makers jatten vrijelijk uit onder meer When A Stranger Calls (1979), Scream (1996) en Saw (2004). Nog erger dan de schreeuwende en hyperventilerende hoofdpersonages zijn de muziek en de geluidseffecten. De film probeert de kijkers aan het schrikken te krijgen met de soundtrack op 11. Elk schrikmoment gaat gepaard met een beukend orkest en zelfs een lamp die aan of uit gaat wordt geaccentueerd met een paukenslag. Dat gaat heel snel irriteren. De manier waarop de jongens met hun belager in aanraking komen roept veel vragen op, want hoe is het mogelijk dat zij hem tijdens hun plaagsessie toevallig bellen terwijl hij zijn wraak op hen aan het voorbereiden is? De anonieme man heeft onmenselijk veel verstand van techniek en bedient elektrische apparatuur met telekinetische precisie. Misschien is het de bedoeling dat de belager meer een duivelse verschijning is dan een personage van vlees en bloed.

The Autopsy Of Jane Doe 8/10 | It Stains The Sands Red 5/10 | Don’t Hang Up 3/10

Meer informatie over Mr. Horror’s Halloween Horror Show vind je op de speciale website.

Good Time (Benny & Josh Safdie, 2017)

di, 10/17/2017 - 12:36

Hoofdpersonages in speelfilms van de regisserende broers Benny en Josh Safdie zijn onrustige stadsbewoners die voornamelijk op straat leven, zoals de labiele vader Lenny in Go Get Some Rosemary (2009) en de verslaafde Harley die in Heaven Knows What (2014) op zoek is naar liefde en heroïne. De eerste twee films zijn geschoten in een documentaire stijl, uit de hand gefilmd met een camera die als een fly on the wall aanwezig is. De derde speelfilm Good Time is de eerste genrefilm van de broers. Het is ook de eerste keer dat ze werken met bekende Hollywoodsterren en een film hebben gedraaid in het brede Cinemascopeformaat. Benny en Josh tillen hun werk met Good Time naar een hoger plan.

Good Time begint met een vliegende camera die waarschijnlijk aan een drone is gemonteerd. We vliegen in volle vaart op de grote stad af waar het verhaal zich de komende 24 uur zal afspelen. De documentaire stijl begint pas in het volgende shot: een close-up van de verstandelijk gehandicapte Nick (Benny Safdie). De psychologische test die hij moet doen van een vriendelijke therapeut (Peter Verby) doet denken aan de opening van Blade Runner (1982) (*). Met die associatie in het achterhoofd weet je dat het alleen maar mis kan gaan en dat gebeurt ook wanneer Nicks broer Connie (Robert Pattinson) onuitgenodigd binnen komt lopen en Nick weghaalt uit de kliniek. Connie heeft onconventionele oplossingen om zijn hulpbehoevende broer te ondersteunen. In de volgende scène beroven ze gezamenlijk een bank.

Good Time (Benny Safdie & Robert Pattinson)

De aanwezigheid van een grote ster als Pattinson is nieuw in een film van Benny en Josh Safdie. In de eerdere films maakten ze gebruik van minder bekende acteurs en van de straat geplukte amateurs. Arielle Holmes was zelf een drugsverslaafde voordat ze als actrice debuteerde en een versie van zichzelf speelde in Heaven Knows What. Professionele acteurs delen in Good Time scènes met mensen die voor een deel op straat zijn gecast. Een van de andere bekende namen is Jennifer Jason Leigh in de rol van Corey, de vriendin van Connie. Leighs ingestudeerde acteerstijl wijkt nogal af van documentair aanvoelende, ongeschoolde manier van acteren door de meeste andere acteurs.

De gebroeders Safdie filmen nog steeds grotendeels uit de hand. De onrustige camera zit dicht op de huid en geeft niemand de tijd om op adem te komen. Onnatuurlijk licht zorgt ervoor dat de film meer gestileerd is dan de eerste twee speelfilms. Het merendeel van de gebeurtenissen speelt zich ’s avonds af; vaak zorgen televisieschermen, mobiele telefoons en neonlampen voor de enige belichting. De elektronische soundtrack van Oneohtrix Point Never is een extra manier om de realiteit te vertekenen. Niet eerder gaven de broers zo veel ruimte aan filmmuziek. De synthesizers en sequencerpatronen zijn geïnspireerd door het Duitse elektronische collectief Tangerine Dream dat zelf ook meerdere soundtracks op hun naam heeft staan, waaronder Sorcerer (1977), Thief (1981) en Firestarter (1984). Als er geen mobiele telefoons in beeld waren geweest zou je mede door de muziek denken dat de film zich afspeelt eind jaren zeventig of begin jaren tachtig.

Good Time (Benny Safdie)

Good Time is in de eerste plaats een spannende misdaadfilm over een kruimeldief op de vlucht en pas in de tweede plaats een documentair portret van een outcast. Meer dan in eerdere films van Benny en Josh Safdie ligt de nadruk voor een groot deel op plotwendingen. Maatschappelijke problemen spelen slechts ver op de achtergrond een rol. Good Time is geen protestfilm met een nobele antiheld in de hoofdrol zoals in het oeuvre van Ken Loach. Connie werkt zich te veel door eigen toedoen in de nesten om in hem een slachtoffer te willen zien van sociale ongelijkheid. Het enige echte slachtoffer is zijn broer. Benny Safdie komt in de rol van Rick veel minder in beeld dan Robert Pattinson, maar de acterende regisseur heeft slechts een paar minuten nodig om ervoor te zorgen dat we zijn gezicht de rest van de film niet meer te vergeten. Hij is het hart van de film.

Good Time is rauw en onsentimenteel. Het is de meeste commerciële film tot nu toe in de carrière van de twee regisserende broers, maar er zeker geen sprake van uitverkoop.

9/10

(*) Er zijn meer mogelijke verwijzingen naar Blade Runner: de elektronische soundtrack, een openingsshot vanuit de lucht, een achtervolging waarbij iemand dwars door glas rent, Robert Pattinson geeft zijn haar dezelfde witte kleur als Rutger Hauers personage Roy Batty, de automatons in het pretpark doen denken aan de bewegende poppen van J.F. Sebastian en een van de personages heeft het over iemand die Blade heet. Inhoudelijk vertonen Good Time en Blade Runner verder geen overeenkomsten, maar als de verwijzingen bewust zijn, dan zegt dat iets over de ambities van de gebroeders Safdie en de afstand die ze willen nemen van het realisme in hun vorige werk.

mother! (Darren Aronofsky, 2017)

za, 09/23/2017 - 14:03

Darren Aronofsky schrijft de titel mother! met een uitroepteken en filmt ook met uitroeptekens. Hij heeft de overdrijving tot hoogste kunstvorm verheven. De regisseur wil mensen met zijn film overdonderen en een boodschap overbrengen die net als The Fountain (2006) is vergeven van Bijbelse symboliek. Kijkers met basiskennis van het boek der boeken zullen in mother! vrij snel een allegorie herkennen en vervolgens niet meer van die gedachte los kunnen komen.

[spoilers!]
Een jonge vrouw (Jennifer Lawrence) woont met haar oudere echtgenoot (Javier Bardem) in een afgelegen huis dat uit de as is herrezen. De vrouw en de man hebben geen naam. Zij voorziet de muren van een kleurtje en hij wacht op inspiratie voor een nieuw gedicht. Zij decoreert en hij schept. Het is vanaf de digitale trucage aan het begin van mother! direct duidelijk dat het huis geen echt huis is en dat beide personages een symbolische functie vervullen. De man wordt in de aftiteling aangeduid als Him (met een goddelijke hoofdletter) en is niet zomaar een schepper maar dé Schepper. De rol van de vrouw is minder duidelijk. Volgens een zeer lezenswaardige analyse van Tim Bouwhuis vertegenwoordigt zij Moeder Natuur. Ze verft de muren met aardse kleuren.

De rust in het idyllische verblijf wordt verstoord door de komst van een naamloze man (Ed Harris) en zijn naamloze echtgenote (Michelle Pfeiffer). De dichter nodigt hen uit en biedt een logeerplek aan ondanks hun onbeschofte gedrag. Zijn vrouw heeft niets in te brengen. Ze mag met toenemende wanhoop toezien hoe de komst van de mensen het begin is van het einde. Haar huis (de wereld) zal onherroepelijk door de mensheid worden vernietigd.

mother! (Javier Bardem)

De Bijbelse symboliek ligt voor het oprapen en de verwijzingen kunnen tijdens het kijken aangevinkt of doorgekrast worden op de Bijbelbingokaart. De twee gasten komen uit het (verloren) Paradijs waar het huis door is omringd. Ze vertegenwoordigen met hun slechte gewoontes (roken, drinken, etc.) de zondige Adam en Eva. De ellende begint pas goed wanneer de twee zoons van de man en de vrouw arriveren en de ene zoon de hersens van de ander inslaat (op de Bijbelbingokaart te vinden onder het kopje Kaïn en Abel). Een herdenkingsdienst met toegestroomde vrienden en familie dreigt uit te lopen op Sodom en Gomorra. Een kikkerplaag blijft het gezelschap bespaard, maar er springt wel een verdwaalde pad rond in de kelder. Als de Messias eindelijk is geboren wordt zijn lichaam al opgegeten voordat hij zelf in staat is een symbool te bedenken voor het offer dat hij voor ons zal brengen.

De Bijbelvergelijkingen liggen er heel dik bovenop. Darren Aronofsky legt de woorden Paradijs en Apocalyps letterlijk in de mond van Jennifer Lawrence. Om een of andere reden laat de ondertiteling die twee woorden onvertaald. De regisseur heeft een sombere visie op de relatie tussen God en de mens – het bestaan is een oneindige loop waarbij na de totale vernietiging een nieuwe ronde volgt die opnieuw leidt tot destructie. De aanstaande moeder is de enige met gezond verstand maar zonder overredingskracht om de vicieuze cirkel te doorbreken.

De twee hoofdpersonages zijn gebonden aan de restricties die de allegorie met zich meebrengt – ze zijn geen echte mensen, dus ze handelen ook niet als mensen. Een verstandig mens zou de overlast veroorzakende gasten vrij snel de deur uitzetten. De man doet dat echter niet en is volledig doof voor de protesten van zijn vrouw. Hij is ziekelijk vergevingsgezind en zij is niet in staat hem op andere gedachten te brengen. De God in mother! is geen snuggere God. Hij laat de situatie keer op keer escaleren. De enige reden die ik kan bedenken waarom hij de mensen in het huis tolereert is omdat hij zonder hen geen bestaansrecht heeft. Zijn gedrag en haar toenemende wanhoop beginnen op den duur aardig te irriteren.

mother! (Javier Bardem & Jennifer Lawrence)

Als mother! geen allegorie was geweest had de vrouw allang haar biezen gepakt en de man en zijn onverstandige keuzes de rug hebben toegekeerd. Maar mother! is wel een allegorie en dus moeten we een hele film toekijken hoe de vrouw het onderspit delft. De vrouw is ondergeschikt in het verhaal. Haar ultieme taak is het baren van de Messias. Niet voor niets is baby haar eerste en laatste woord.

Zoals gebruikelijk neemt Aronofsky zichzelf heel erg serieus en is er ook in zijn zevende speelfilm geen enkele ruimte voor enige relativering. Hij is net zo koppig als het mannelijke hoofdpersonage. De ergernis over het domme gedrag van de man en de ondergeschikte positie van de vrouw wordt gedeeltelijk weggenomen door de spectaculaire wijze waarop het huis dient als decor voor de totale ondergang van de wereld. De Apocalyps speelt zich binnenshuis af op de vierkante meter en met een op hol geslagen verteltijd. Technisch gezien valt er weinig op de film aan te merken.

6/10

City Of Ghosts (Matthew Heineman, 2017)

wo, 09/20/2017 - 13:47

De documentaire City Of Ghosts volgt enkele burgerjournalisten van het collectief Raqqa Is Being Slaughtered Silently. Met gevaar voor eigen leven verzamelen en verspreiden zij nieuws over de gruweldaden van IS in hun geboortestad Raqqa. De film is een verslag van de strijd tussen feiten en nepnieuws.

Het journalistencollectief Raqqa Is Being Slaughtered Silently (RBSS) is spontaan ontstaan nadat IS in april 2014 de Syrische stad Raqqa veroverde en uitriep tot hun hoofdstad. RBSS-woordvoerder Aziz en zijn vrienden hebben geen journalistieke achtergrond en waren helemaal niet van plan om journalist te worden. Dat veranderde toen ze met hun telefoons illegaal de wreedheden van de terroristische organisatie filmden. Ze verspreidden hun filmpjes via sociale media om de rest van de wereld het ware gezicht van IS te tonen.

RBSS groeide uit tot de enige onafhankelijke nieuwsbron die vanuit de bezette stad de wereld kon laten zien hoe de bevolking hardhandig werd onderdrukt. IS had geen behoefte aan negatieve publiciteit en ging op jacht naar de journalisten. Aziz, Hamoud, Mohamad en nog enkele andere leden van RBSS waren hun leven niet meer zeker en vluchtten naar Duitsland. Daar zetten ze hun werk voort op tijdelijke onderduikadressen.

Mohamad aan het werk op een schuiladres in City Of Ghosts

In de documentaire City Of Ghosts staat de professioneel ogende propagandamachine van IS tegenover de mobieltjes en laptops van een paar dappere mannen die in de tegenaanval zijn gegaan. Illegaal vastgelegde beelden uit de stad worden in de documentaire afgewisseld met opnamen in geheime Duitse locaties waar de mannen van RBSS telefoontjes en e-mails met bijlagen van hun vrijwillige correspondenten uit Raqqa ontvangen en het materiaal omzetten in nieuwsberichten. De spanning is van de gezichten van de journalisten af te lezen, want er staat een prijs op hun hoofd.

De propagandafilms van IS zien eruit als gelikte trailers voor Hollywood-oorlogsfilms en gewelddadige computerspelletjes. Ceremonieel uitgevoerde executies zijn volledig geregisseerd en voorzien van dreigende muziek. De journalisten van RBSS zetten daar onopgesmukte verslagen tegenover. Documentairemaker Matthew Heineman gebruikt een mix van beide methodes om het verhaal over RBSS te vertellen. Zijn cinéma vérité is gefilmd in breed bioscoopformaat en ook alle ruwe opnamen uit Raqqa worden tot dit formaat opgeblazen. De werkelijkheid lijkt te worden omgezet in een speelfilm, maar dat is niet de opzet. Het brede formaat heeft als voordeel dat de ergste wreedheden niet voluit getoond hoeven te worden en buiten het kader vallen. De eerste schokkende executie op een plein is daarvan een goed voorbeeld. We zien de slachtoffers, maar de inslag van de kogels blijft buiten beeld. De dramatische muziek die Heineman veelvuldig gebruikt had voor mij niet gehoeven. Wat we in de kleine kamers zien is van zichzelf al dramatisch genoeg en hoeft niet met subjectieve muziek benadrukt te worden.

RBSS-woordvoerder Aziz in City Of Ghosts

City Of Ghosts heeft de titel van een horrorfilm. Wat we te zien krijgen is vooral psychologische horror. Heineman is terughoudend als het gaat om het tonen van geweld. Hij richt zijn camera voornamelijk op de gezichten van de gevluchte Raqqa-leden en laat zien hoe het mensen vergaat die zich constant opgejaagd voelen. De vluchtelingen hebben niet alleen te maken met de kans dat een IS-aanhanger hen ombrengt maar worden in Duitsland ook geconfronteerd met grimmige straatprotesten van extreemrechtse groeperingen. Die protesten maken gebruik van een retoriek die nauwelijks verschilt met de retoriek van de extremisten in Raqqa.

7/10

Darth Faber Fest @ dB’s, Utrecht (16 september 2017)

zo, 09/17/2017 - 22:00

Darth Faber gaat vaak naar concerten en doet daarvan verslag op zijn weblog. Zaterdag organiseerde hij in het Utrechtse dB’s een eigen festival met een Friese invalshoek en een aantrekkelijke combinatie van oudgedienden en iets jonger talent. Klinkende namen als It Dockumer Lokaeltsje en The Ex waren voldoende om de avond volledig uit te verkopen.

De eerste helft van het festival Darth Faber stond in het teken van uitgedokterde gekte. Openingsact Bonne Aparte voegde daar een overdosis noise aan toe. De bandleden komen uit Friesland en Groningen en hebben Rotterdam als uitvalsbasis. Volgens mijn concertenoverzicht heb ik ze slechts één keer eerder gezien, 2007 in Paradiso als voorprogramma van Shellac. Bonne Aparte lijkt in de tussentijd niet heel erg productief te zijn geweest. Het enige album stamt uit 2008 en pas vorig jaar verscheen de nieuwe single Scum Party. Zaterdag bleek de band na tien jaar niets aan intensiteit te hebben ingeboet.

Bonne Aparte

De muziek van Bonne Aparte doet een beetje denken aan De Staat, maar dan wel als De Staat op het podium in brand gezet is en er pas geblust gaat worden nadat de volledige setlist is afgewerkt. De invloeden van Amerikaanse noise van bijvoorbeeld bands op Skin Graft Records zijn ook traceerbaar. De veelal korte nummers worden tot de nok toe gevuld met het ritmische lawaai dat de drie gitaristen maken. Het is muziek die je vooral fysiek ervaart. Zanger/gitarist Gerrit van der Scheer ging zo tekeer op het podium dat zijn microfoon het meerdere keren begaf. De band bleef gewoon doorspelen, zich niets aantrekkend van de opgelopen averij. Zelfs toen gebroken snaren over het podium gesleept werden klonk de band nog steeds solide. Bij het laatste nummer kwamen The Butthole Surfers nog even om de hoek kijken vanwege de vervormde zangpartijen die tezamen met toenemende feedback een orkaan vormden en onverminderd in een loop bleven ronddraaien, ook toen er niemand meer op het podium stond. Alleen de drummer was achterbleven om de ritmische kakofonie bij elkaar te houden door zo hard mogelijk primitieve harde klappen uit te delen op bekkens en hihat.

Tweede act It Dockumer Lokaeltsje had zich op de zaalvloer opgesteld. Het duurde even voordat de zanginstallatie werkte en dus doodde bassist/zanger Peter Sijbenga de tijd door mee te spelen met de eerste paar nummers van het debuutalbum van Devo die als pauzemuziek te horen waren. Het Friese trio is weer helemaal terug na hun VPRO-hit Klunen In De Dunen uit 1987. Het nummer was indertijd ook te horen bij de BBC in de radioshow van John Peel. De band speelt Klunen In De Dunen niet meer sinds de hernieuwde samenwerking in 2014. In plaats daarvan kwamen in dB’s een flink aantal nummers voorbij van het nieuwe album dat binnenkort verschijnt bij Makkum Records.

It Dockumer Lokaeltsje

It Dockumer Lokaeltsje speelt hectische postpunk met tegendraadse wendingen en constant struikelende ritmes. Het trio propt veel ideeën binnen compacte nummers. De zwaarder geworden muzikanten voerden het repertoire zaterdag op vederlichte wijze en in rap tempo uit alsof het hen geen enkele moeite kostte. DAF-cover Der Räuber und der Prinz vormde ergens halverwege het optreden een rustpunt voor band en publiek. Daarna ging het volle, No Means No-achtige basgeluid van vrolijke gangmaker Sijbenga weer de strijd aan met de scherp afgestelde, schrapende gitaarpartijen van de beweeglijke Sytze van Essen. Drummer Fritz de Jong hield zijn hoofd koel achter een laag minidrumstel met hoge bekkens.

Na de vele maatwisselingen bij It Dockumer Lokaeltsje was het even wennen aan de eenvoudige vierkwartsmaten van The Homesick. Het trio uit Dokkum was de jongste band van de avond. The Homesick verovert gestaag de wereld met echoënde gitaren en een volle ritmesectie waarin de jaren tachtig doorklinken, zowel vroege new wave als de latere Madchester-sound. Tijdens de uitgebreide soundcheck werd toegewerkt naar een stadiongeluid dat past bij de ambities van de drie leden, maar iets minder goed uitpakte in de intieme popzaal.

The Homesick

The Ex is sinds de komst van zanger/gitarist Arnold de Boer Fries genoeg om de Friese avond in dB’s te mogen afsluiten. Twee maanden geleden trok de band veel belangstelling toen in de Amsterdamse zaal OT301 de nieuwe set voor het eerst aan het publiek werd gepresenteerd. Mensen kwamen uit het hele land en hadden er soms vele uren reistijd voor over om te horen welke richting de muziek deze keer op zou gaan. In Utrecht hoorden we dat de nieuwe nummers binnen korte tijd verder waren aangescherpt. Nummers waarbij de muzikanten in OT301 nog enigszins zoekende waren hadden hun definitieve basisvorm gekregen. Soon All Cities, met afterbeat en melancholisch gitaarthema, was wederom de officiële afsluiter voordat oudje Maybe I Was The Pilot als toegift werd gespeeld.

Het was opvallend hoe The Ex het publiek aan het dansen kreeg met volledig nieuw songmateriaal. Dat zie ik andere Nederlandse bands niet zo snel voor elkaar krijgen. Drumster Kat, die binnenkort naar Duitsland gaat verhuizen, is de onmisbare drijvende kracht met haar doorlopende roffels zonder enige hapering, met meer toms dan hithat en goed getimede rake klappen op een koebel. Zelfs een zevenachtstemaat, waarvan ik het beginpunt maar niet kon ontdekken, hield de toehoorders in beweging.

Vrijdag 20 oktober zijn The Homesick, It Dockumer Lokaeltsje en The Ex te zien in Worm, Rotterdam.

Una Mujer Fantástica (Sebastián Lelio, 2017)

di, 09/12/2017 - 13:12

 

Transseksueel Marina zien we in Una Mujer Fantástica voor het eerst als zangeres in een nachtclub. Aan het eind van de film zingt ze met orkest op het podium van een concertzaal. Tussen die twee momenten is ze definitief een ander mens geworden en heeft ze afscheid genomen van de man in haar leven. Die man is zowel haar veel oudere vriend Orlando als de man die ze zelf is geweest.

Una Mujer Fantástica begint bij Orlando (Francisco Reyes). De grijzende man rust uit in een sauna. Hij ligt bewegingsloos bij te komen en even lijkt het alsof hij is opgebaard. Het vertraagde beeld en de extreme kleuren geven de scène een onwerkelijke sfeer, alsof we ons in een magische tussenwereld bevinden. Niet veel later, na het vieren van de verjaardag van vriendin Marina (Daniela Vega) en een vrijpartij in het appartement dat hij sinds kort met haar deelt, zal Orlando daadwerkelijk overlijden. Marina staat er plotseling helemaal alleen voor tegenover een buitenwereld die haar transseksualiteit helemaal niet of slechts met grote moeite accepteert.

Una Mujer Fantástica is geen thriller, maar heeft wel de sfeer van een thriller. Marina wordt door Orlando’s familie en de autoriteiten behandeld alsof ze een misdaad heeft begaan. De maatschappij in het algemeen, en de Chileense in het bijzonder, heeft nog steeds moeite om mensen als Marina te accepteren en dat zal ze weten ook. Ze zal moeten vechten om te zijn wie ze is en om het recht op een gelijkwaardige behandeling. Een van de thrillerelementen is de geheimzinnige sleutel die Marina vindt tussen de spullen van Orlando en die haar uiteindelijk leidt naar een kluisje in de sauna waar het verhaal begon.

Una Mujer Fantástica (Daniela Vega & Francisco Reyes)

De film verplaatst zich meerdere keren buiten de werkelijkheid als een geest die buiten zijn lichaam treedt. Twee opvallende surrealistische momenten zijn de extreme tegenwind waarmee Marina wandelend op straat plotseling mee wordt geconfronteerd en de dans in de disco die overgaat in een gechoreografeerde collectieve dans. Actrice Daniela Vega doorbreekt meermaals de vierde muur door met intense blik recht in de camera te kijken. Ze ziet Orlando op onverwachte momenten terugkeren als een spookverschijning en als een herinnering die langzaam verdwijnt.

Orlando heeft vooral een symbolische functie in Una Mujer Fantástica. Hij zal ongetwijfeld vernoemd zijn naar het boek van Virginia Woolf uit 1928 en de verfilming van Sally Potter uit 1992 waarin het hoofdpersonage op magische wijze van sekse verandert. Francisco Reyes’ Orlando staat symbool voor de laatste fase in Marina’s transformatie van man naar vrouw. Daarom begint de film bij hem en niet bij het titelpersonage. Pas als het mannenlichaam voorgoed is verdwenen kan Marina volledig de vrouw zijn die ze altijd al is geweest. Daarom is het zo belangrijk dat ze de laatste persoon is die Orlando de crematieoven in ziet gaan.

9/10

The Dwarfs Of East Agouza live @ OCCII (4 september 2017)

wo, 09/06/2017 - 22:33

The Dwarfs of East Agouza

De Amsterdamse concertzaal OCCII viert deze maand het 25-jarig bestaan met een extra speciale programmering. Afgelopen maandag organiseerde kunstinitiatief Haperende Mens een programma met vier muzikale acts. De avond had een lange aanloop nodig voordat het hoogtepunt The Dwarfs Of East Agouza het podium betrad.

Bij binnenkomst zagen we maandagavond in OCCII nog net hoe Gert-Jan Prins een bekken tegen de vlakte sloeg. Daar bleef het de rest van het optreden levenloos en ongebruikt liggen. De muzikant zat prominent vooraan op het podium achter zijn drumstel, met kinderlijk plezier primitieve partijen meppend. Soms sloeg hij met één stok tegelijk op snaredrum en hihat. Hij werd ondersteund door de sonische gitaarsculpturen van kunstenaar Joan van Barneveld. De gitarist zat half verborgen links achter Prins en werd daar volledig in beslag genomen door de noise-erupties die uit zijn gitaarversterker ontsnapten. Een danseres nam het grootste deel van de zaalvloer in beslag waar ze soepel bewegend structuur probeerde te ontdekken in het spontane lawaai dat Prins en Barneveld voortbrachten. Tijdens het optreden werd meer iets afgebroken dan opgebouwd en waarschijnlijk was dat exact de bedoeling.

De geluiden van tweede act Ōgon Batto uit Antwerpen kwamen voornamelijk uit een laptop die verborgen bleef achter een fluorescerende kofferdeksel. Batto gebruikte hedendaagse technieken om een geluid voort te brengen dat de luisteraar terugbracht naar de jaren tachtig. De muziek zweefde ergens tussen Fourth World Music (inclusief exotische blokfluit) en de rituele bombast van SPK’s Zamia Lehmanni (inclusief kopstem). Batto toverde hele en halve orkesten uit een toetsenbord, aangevuld met elektronisch opgewekte mannen- en vrouwenkoren. Een oplichtende magische bol deed dienst als piepende stoorzender. De muzikale wereldreis was fragmentarisch en duurde vooral erg lang.

De magische bol van Ōgon Batto

Een van de toehoorders merkte op dat de woestijnmuziek van Jooklo Duo als los zand aan elkaar hing. Het duo Virginia Genta en David Vanzan werd deze avond vergezeld door architect en toetsenist Riccardo Sinigaglia. Zo te horen hadden de drie vooraf geen heldere afspraken gemaakt over de muzikale route met als gevolg dat ze elk hun eigen weg bewandelden. Vanzan trommelde onrustig met zijn vingers op diverse percussie-instrumenten en vervormde het geluid via een cassettedeck en een mengpaneel. Genta blies in kleermakerszit als een volleerde fakir afwisselend op klarinet en saxofoon. Het enige wat er nog aan ontbrak was een slang om te bezweren. Sinigaglia wilde per se alle toetsen op zijn keyboards minstens één keer aangeraakt hebben. Zijn overvolle, willekeurig klinkende toetsenspel leek soms op een op hol geslagen speelautomaat en deed op andere momenten denken aan een avant-gardistische interpretatie van het soort orgelmuziek dat je normaal gesproken alleen hoort tijdens Amerikaanse baseballwedstrijden.

The Dwarfs Of East Agouza (albumhoes)

Van gebrek aan muzikale eenheid was bij The Dwarfs Of East Agouza gelukkig geen sprake. Het zittend spelende trio uit Caïro hield zich aan een strikte taakverdeling. Gitarist Sam Shalabi (Land of Kush, Shalabi Effect) speelde de meeste solo’s, tweede gitarist Alan Bishop (Sublime Frequencies, Sun City Girls) was verantwoordelijk voor bastonen en achtergrondgeluiden en toetsenist Maurice Louca (Alif, Bikya) legde een ritmische basis. Tijdens de eerste improvisatie gaf Bishop alle ruimte aan Shalabi’s felle snarenspel door voornamelijk de klankkast van zijn akoestische gitaar voor de speaker heen en weer te bewegen, zo zorgend voor een ritmische zoemtoon. Louca beperkte zich zoveel mogelijk tot ritmische toetsenpartijen en ondersteunende loopjes. Uit een van zijn machines dreunde opzwepende, akoestisch klinkende Egyptische percussie. OCCII veranderde in de Cairo Jazz Club.

In de eerste helft van het optreden overheersten de partijen van Sam Shalabi. Op zijn afwijkend gestemde gitaar speelde hij grillige bluessolo’s met Noord-Afrikaanse invloeden maar zonder toevoeging van obligate Arabische toonladders. Ergens halverwege pakte Alan Bishop zijn saxofoon op, maar in plaats van op het instrument te spelen bracht hij de microfoon op mondhoogte en improviseerde hij zingend in een ter plekke bedachte brabbeltaal. Het zangintermezzo was tijdens de tournee de set ingeslopen en beviel niet alleen de muzikanten heel goed. Het publiek kon deze onverwachte wending ook waarderen en wilde dat iets te vroeg kenbaar maken. Bishop maande het prematuur applaudisserende publiek op gespeeld strenge wijze tot stilte. De connectie die hij door deze interventie met ons kreeg hield hij vast tot na de dialoog tussen saxofoon en gitaar in het afsluitende nummer. De saxofonist moest lachen toen hij merkte dat we na het wegsterven van het slotakkoord lang niet durfden te klappen ook al wilden we dat juist heel graag.

The Breaking Point (Michael Curtiz, 1950)

wo, 08/23/2017 - 13:06

The Breaking Point is de tweede verfilming van Ernest Hemingways roman To Have And Have Not uit 1937. De film noir van Michael ‘Casablanca’ Curtiz is lang niet zo beroemd als de versie uit 1944 met Humphrey Bogart en Lauren Bacall, maar dat maakt het niet de mindere van de twee. Integendeel zelfs.

Vlak voordat The Breaking Point in 1950 in de bioscopen belandde hadden communistenjagers de naam van hoofdrolspeler John Garfield op de zwarte lijst gezet. De film werd om die reden ondanks lovende recensies zonder noemenswaardige publiciteit uitgebracht. De carrière van de acteur was voorbij. Na zijn laatste film He Ran All the Way (1951) overleed Garfield op 21 mei 1952 op 39-jarige leeftijd aan een hartaanval, volgens zijn dochter Julie twee dagen nadat hij tijdens een verhoor had geweigerd zijn vrouw te verraden.* The Breaking Point raakte in de vergetelheid en kreeg niet de erkenning die de film verdient. De recente Amerikaanse dvd- en Blu-ray-uitgave op het label Criterion brengt daar hopelijk verandering in.

To Have And Have Not van Howard Hawks is een romantische avonturenfilm die profiteert van de opbloeiende liefde op de set tussen filmsterren Humphrey Bogart en Lauren Bacall. The Breaking Point is klassieke film noir met John Garfield in de rol van complexe antiheld Harry Morgan. Harry heeft na zijn diensttijd moeite om terug in Californië de draad weer op te pakken met zijn vrouw Lucy (Phyllis Thaxter) en dochters Amelia (Sherry Jackson) en Connie (Donna Jo Boyce). Hij is het liefst met zijn sportvisboot op zee waar hij samen met partner Wesley Park (Juano Hernandez) boottochtjes regelt voor toeristen. Gebrek aan klandizie en botte pech dwingen Harry om risicovolle opdrachten aan te nemen van louche advocaat F.R. Duncan (Wallace Ford). De ontmoeting met blonde femme fatale Leona Charles (Patricia Neal) zet het huwelijk van Harry op het spel.

Harry (John Garfield) en zijn gezin in The Breaking Point

Op de dvd van Criterion staat een verhelderend video-essay over de visuele kwaliteiten van regisseur Michael Curtiz en de manier waarop hij op vloeiende wijze ruimte en camera gebruikt voor het tonen van de relaties binnen de familie. Ik wil me hier beperken tot de wijze waarop geluid en muziek in de film toegepast worden. Op het water is er enkel het geruststellende geruis van de zee en het pruttelen van de dieselmotor. Thuis voelt Harry zich rusteloos. Foto’s aan de muur herinneren hem aan de oorlog en hij maakt zich zorgen over geldgebrek. De rusteloosheid wordt verder aangewakkerd door onrust op de soundtrack. Harry wordt aan wal uit zijn concentratie gehaald door hem omringende stoorzenders.

De storende geluiden worden gemaakt door het gezin waar hij van houdt. Tijdens een van de dialogen tussen Harry en Lucy in de keuken zijn de dochters op de achtergrond luid kletsend aan het afwassen. Hun geklets dreigt de dialoog te overstemmen en werkt Harry op de zenuwen. Geïrriteerd vraagt hij de meisjes of ze zachter willen zijn. Vanwege geldgebrek doet Lucy laat in de avond in de huiskamer klusjes met de naaimachine. De ratelende machine houdt de toch al slecht slapende Harry wakker in de naastgelegen slaapkamer.

The Breaking Point (Patricia Neal, John Garfield & Juano Hernandez)

Ook muziek functioneert als stoorzender. In plaats van non-diëgetische muziek wordt het reilen en zeilen van Harry begeleid door muziek waarvan de bron in de film is aan te wijzen. In een van de caféscènes wordt een gesprek begeleid door de repeterende gitarist van het huisorkest. Het neutraal klinkende getokkel trekt zich niets aan van de dialoog. Deze muziek geeft geen commentaar op de risicovolle keuzes die Harry maakt en is eerder op te vatten als een uiting van onverschilligheid – het lot van Harry laat de buitenwereld koud.

Ook de melodieën van de jeugdige accordeonist, die nabij het huis van Harry duidelijk hoorbaar op de veranda aan het oefenen is, vormen een commentaarloze begeleiding. De accordeonmuziek reikt tot in het huis van het gezin, want de huizen in de straat zijn gehorig. De aanwezigheid van de accordeon geeft aan dat iedereen elkaar kan horen. Geen wonder dat er in de buurt over de financiële situatie van Harry en Lucy wordt geroddeld.

Muziek is afwezig tijdens de gewelddadige climax. Wat we te zien krijgen is spannend genoeg zonder bulderend orkest. Aan het eind van de film kunnen we niet om het orkest heen. Het hartverscheurende laatste shot heeft eigenlijk geen dramatische strijkers nodig. Michael Curtiz filmt met een empathisch oog en laat de kijker achter met een personage dat hij eerder in de marge van het verhaal heeft geïntroduceerd. Veel kijkers zullen in de slotfase niet meer aan het zoontje van Wesley Park (Juano Hernandez’ echte zoontje Juan) hebben gedacht, maar Curtiz is hem gelukkig niet vergeten en vereeuwigt hem vlak voordat het beeld op zwart gaat.

9/10

* Bron: interview in de korte documentaire op de dvd van Criterion (Regio 1).