Over alles behalve design

Abonneren op feed Over alles behalve design
arthouse, classics, cult, Hollywood, music
Bijgewerkt: 59 min 53 sec geleden

The Favourite, Orson Welles en de spiegel van Van Eyck

zo, 01/13/2019 - 11:54

Griekse regisseur Yorgos Lanthimos sluit hoofdpersonages graag op in zijn films. Na onder meer de kinderen in Dogtooth (2009) en de vrijgezellen in The Lobster (2015) is het in The Favourite ditmaal de beurt aan een koningin. Anne komt haar paleis nauwelijks uit omdat ze de wereld niet meer aankan. Ze is een kneedbare speelbalg geworden in politieke en persoonlijke intriges. We krijgen haar doorgedraaide wereld vaak te zien door extreem vervormde lenzen. Lanthimos laat zich voor zijn beeldkeuze onder meer beïnvloeden door een Nederlandse schilder.

Koningin Anne (Olivia Colman) is begin achttiende eeuw officieel de machtigste vrouw van Engeland. Ze is echter fysiek en mentaal te zwak om te regeren en laat daarom beslissingen van landsbelang over aan haar vriendin Lady Sarah (Rachel Weisz). De koningin is een kneedbare marionet, merkt ook Abigail (Emma Stone). Het nichtje van Lady Sarah strandt berooid op het koninklijke landgoed en begint een sluw machtsspel om de positie van Annes favoriet over te nemen.

De aftakeling van koningin Anne in The Favourite heeft een trieste reden. Ze heeft in haar leven zeventien kinderen verloren vanwege miskramen en ziektes. Het is niet voor te stellen hoe het moet zijn om het verlies van een kind keer op keer als psychische dreun te moeten incasseren. De koningin zit opgesloten in haar verdriet zoals ze ook opgesloten zit in haar paleis. De buitenwereld vormt voor haar een grote onbekende dreiging waar ze niet tegen opgewassen is. Ze probeert officiële gelegenheden zoveel mogelijk te vermijden en staat te trillen wanneer ze toch moet opdraven en het centrum van de aandacht vormt.

Olivia Colman in The Favourite

Het gedrag van de koningin levert meerdere komische scènes op. Olivia Colman weet te voorkomen dat Anne een bespottelijk personage wordt. De actrice laat de kijker niet vergeten dat de grappige eigenaardigheden en uitbarstingen voortkomen uit tragische omstandigheden.

Annes verwarde geest en haar doorgedraaide huishouden worden vaak vastgelegd met vervormde lenzen. Het kan regisseur Yorgos Lanthimos niet extreem genoeg. Een van de lenzen zorgt ervoor dat rechte paden veranderen in halve cirkels waardoor het lijkt alsof personages en voertuigen rondjes draaien in plaats van rechte paden begaan.

Het portret van Giovanni Arnolfini en zijn vrouw (Jan van Eyck, 1434)

De opzichtige manier van filmen zorgt er in combinatie met modern taalgebruik en hedendaagse dansjes voor dat The Favourite niet bepaald als historisch correct bestempeld kan worden. Toch passen de vervormde beelden goed in de achttiende eeuw. Lanthimos liet in interviews weten geïnspireerd te zijn door het gebruik van spiegels in schilderijen van oude Nederlandse meesters. Hij zal vast en zeker ook doelen op het portret van Giovanni Arnolfini en zijn vrouw van Jan van Eyck uit 1434. Tussen het geportretteerde echtpaar Arnolfini is op de achtergrond een spiegel te zien waarin hun afbeelding bolvormig weerspiegeld wordt. De vervorming komt overeen met die in de film. De aanwezigheid van de spiegel maakt de kijker bewust van de schilder, aangezien Van Eyck zelf ook in beeld is, net zoals de camera van Lanthimos de aanwezigheid van de regisseur benadrukt.

Orson Welles in Othello (1951)

Orson Welles is een van de bekendste regisseurs met een voorkeur voor extreem lensgebruik en vervormende spiegels. Hij gebruikt ze in films als Citizen Kane (1941), The Lady From Shanghai (1947) en The Trial (1962) om iets te zeggen over de innerlijke beroering van zijn personages en de situaties waarin ze zich bevinden. Toevallig kwam ik er deze maand bij het bekijken van Orson Welles’ Othello (1951) achter dat de regisseur in een van de scènes voor exact dezelfde spiegel staat als die in het schilderij van Van Eyk. Net als in The Favourite verliest ook in deze Shakespeareverfilming een machtig personage de regie over het leven vanwege leugens die mensen in zijn entourage hem influisteren. Kijkend in de spiegel wordt de Afrikaanse prins kortstondig met zichzelf geconfronteerd en staat hij oog in oog met zijn gekwelde dubbelganger. De reflectie maakt zijn geest niet helder en weet zijn jaloersheidswaan niet te temperen.

8/10

An Impossibly Small Object (David Verbeek, 2018)

za, 01/05/2019 - 11:02

De meest recente film van David Verbeek is na de première tijdens IFFR 2018 eindelijk ook in de rest van het land te zien. An Impossibly Small Object gaat over een klein Taiwanees meisje en haar vlieger, maar toch vooral over filmmaker Verbeek zelf.

David Verbeek houdt niet zo van Nederland. De regisseur draait de meeste van zijn films liever in Azië. Hij volgt zijn personages in China of Taiwan en laat zich inspireren door Aziatische filmmakers. In navolging van bijvoorbeeld Akira Kurosawa (Ikiru, High and Low), Wong Kar-Wai (Chungking Express) en Apichatpong Weerasethakul (Tropical Malady) splitst Verbeek zijn laatste film An Impossibly Small Object in tweeën. De eerste helft speelt zich af in Taipei en gaat over het kleine meisje Xiao Han (Lucia). In de tweede, Amsterdamse helft richt de regisseur de camera op zichzelf. Verbeek speelt een fotograaf die het liefst zo min mogelijk in zijn geboorteland verblijft en voornamelijk in Azië door steden zwerft op zoek naar onderwerpen. De link tussen de fotograaf en Xiao Han is de foto die hij op een avond maakt van het meisje en haar lichtgevende vlieger.

An Impossibly Small Object begint met een proloog in zwart-wit waarin de naamloze fotograaf tegenover twee ambtenaren zit. Ze willen van hem weten waarom hij subsidie komt aanvragen voor zijn volgende project. Ook zijn ouders (Gijs Scholten van Aschat en Lineke Rijxman) bestoken hem later in de film tijdens een etentje met vervelende vragen. De eetscène doet denken aan het verhoor op het kantoor van het subsidiefonds. Waarom wil de fotograaf zo ver reizen voor zijn projecten? Is hij op de vlucht is voor zichzelf of gewoonweg op zoek is naar iets anders? In de film probeert de regisseur antwoord te geven op de vraag wat hem drijft. Het verhaal van Xiao Han wordt daarbij slechts gebruikt als uitgangspunt.

Xiao Han (Lucia) en haar moeder in An Impossibly Small Object

De episode met het meisje en haar vlieger is het meest toegankelijke deel van de film dankzij het innemende spel van de piepjonge actrice. We zien vanaf haar ooghoogte het dagelijkse leven in een vreugdeloze buitenwijk in Taipei. Ze trekt zoveel mogelijk op met haar beste vriendje Hao Hao (Chen-Hung Chung) en merkt nauwelijks iets van de dagelijkse problemen van haar ouders. Xiao Han is nog te jong om door te hebben dat haar ouders hun snackbar met moeite draaiende kunnen houden. Ze ziet ook geen gevaar in de vriendelijk ogende gangster die een vaste klant is. De altijd loerende dreiging wordt gesymboliseerd door een eng masker dat in een donkere ligt te wachten voor het lokale dansritueel. De fotograaf legt het masker vast en plaatst het thuis in Amsterdam met hulp van Photoshop in de foto waarop Xiao Han helemaal alleen met haar vlieger speelt.

De fotograaf manipuleert de werkelijkheid om er vat op te krijgen en uit te zoeken wat zijn eigen positie daarin is. De man gedraagt zich als een vampier die voor eigen gebruik verhalen uit mensen zuigt. Het is niet voor niets dat hij het liefst na zonsondergang door Taipei wandelt en thuis de gordijnen gesloten houdt. De fotograaf behandelt de personages in zijn project meer als objecten dan als mensen. Eigenlijk is hijzelf de dreigende drager van het masker. Elke foto die hij maakt klinkt op de soundtrack als een pistoolschot.

An Impossibly Small Object (Lineke Rijxman en David Verbeek)

Debuterend acteur Verbeek houdt met naturel spel goed verborgen wat er precies in hem omgaat. An Impossibly Small Object intrigeert als ideeënfilm maar heeft vanwege de afstandelijke benadering in de tweede helft moeite om te raken.

6/10

Terugblik 2018: Film

ma, 12/31/2018 - 12:39

2018 was een prima filmjaar. Het jaar leek al te pieken in het eerste kwartaal, maar toen verscheen er in de laatste maanden nog meer moois en moest de voorlopige eindlijst flink op de schop. Het zou zo maar eens kunnen dat ik vanwege het grote aanbod een hoogtepunt ben vergeten. Zoals gebruikelijk vind je hieronder naast de bioscoopreleases ook aparte lijstjes met heruitgebrachte klassiekers op blu-ray/dvd, teleurstellingen en films die de Nederlandse bioscopen (vooralsnog?) niet hebben gehaald.

Films in de bioscoop 25. Hereditary 24. Three Billboards Outside Ebbing, Missouri 23. Girl 22. Lean On Pete 21. Jeune Femme 20. Gräns 19. Sweet Country 18. Hannah 17. The Rider 16. Jusqu’à la Garde 15. Shoplifters 14. 3 Faces 13. You Were Never Really Here 12. Call Me By Your Name 11. Burning 10. Mandy

Zo extreem over the top zien we ze zelden tussen het reguliere bioscoopaanbod. De tweede speelfilm van cultregisseur Panos Cosmatos is een psychedelische heavy metal hellevaart waarbij David Lynch, Ash uit Evil Dead, Charles Manson en de Cenobites uit Hellraiser elkaars paden kruizen onder het licht van een maan die alles rood kleurt. Plot speelt een onderschikte rol in deze wraakfantasie. Toon en kleur doen er meer toe dan het verhaal. De film lijkt bedoeld om te ervaren als een muziekstuk. De filmtitel is niet voor niets vormgegeven als het logo van een metalband.

9. Foxtrot

De Israëlische film Foxtrot zet in de openingsscène alles op zijn kop. Het is geen Palestijnse familie die door soldaten wordt overvallen, maar een Israëlisch gezin dat te maken krijgt met legergeweld. De soldaten arriveren met de mededeling dat de zoon des huizes is overleden tijdens zijn dienst langs de grens met het Palestijnse gebied. Ze brengen de geschokte moeder tot bedaren door haar op agressieve manier tegen de grond te drukken en vol te spuiten met kalmerende middelen. Vader krijgt het dwingende advies om op vaste tijdstippen rustgevende pillen te slikken. Foxtrot laat binnen vierkante meters heel treffend en met onverwachte camerastandpunten de absurditeit zien van het onwrikbare conflict tussen Israël en de Palestijnen. En dan moet de episode aan de grens nog beginnen.

8. Zama

Het werd na veertien jaar weer eens tijd voor een film van Lucrecia Martel in de Nederlandse bioscoop. De eerste kostuumfilm van de Argentijnse regisseuse is een tropische koloniale nachtmerrie in zeventiende-eeuws Paraguay. Spaanse officier Don Diego de Zama wacht in Asuncion tot hij weer terug mag naar zijn familie in Buenos Aires. In het openingsshot staat hij aan de kustlijn met zijn rug naar het land toegekeerd te wachten op een boot die nooit komt. De constant gespannen Zama (de geweldige Daniel Giménez Cacho) hoort hier niet thuis maar is ook niet in staat om zich los te trekken van de ongewenste omgeving. In de ogen van de machthebbers is hij een onbelangrijke pion en langzaam maar zeker raakt de man verstopt in de administratie. Zama wordt onzichtbaar. Dagen veranderen in jaren en samen met het titelpersonage verliest ook de kijker grip op het verstrijken van de tijd.

7. Phantom Thread

De hautaine couturier Reynolds Woodcock (Daniel Day-Lewis) is een kille perfectionist die zijn muzen kwelt voordat hij ze afdankt. Hij is geen man om van te houden en toch is dat wat serveerster Alma (Vicky Krieps) doet. Perfectionist Paul Thomas Anderson weet de wederzijdse liefde en de verwantschap aannemelijk te maken in een komische scène waarin Woodcock en Alma gezamenlijk een jurk komen terugeisen bij een klant die er in hun ogen geen recht op heeft. De twee horen bij elkaar. Er is alleen nog een wondermiddel nodig om de man te temmen. Day-Lewis is heerlijk onuitstaanbaar in zijn laatste filmrol. Zijn meningsverschillen met zus en manager Cyril (Lesley Manville) leveren vermakelijke botsingen op. Chic! Whoever invented that ought to be spanked in public. I don’t even know what that word means! What is that word? Fucking chic! They should be hung, drawn, and quartered. Fucking chic.

6. Der Hauptmann

Der Hauptmann had ik dit jaar bijna overgeslagen, maar gelukkig liet de beste filmrecensent van Nederland via Letterboxd weten dat het wel degelijk een aanrader was en haastte ik mij alsnog naar de bioscoop. De film is een meedogenloze oorlogssatire in zwart-wit over een jonge Duitse deserteur (Max Hubacher) tijdens de eindfase van de Tweede Wereldoorlog. Hij trekt het uniform van een gesneuvelde legerkapitein aan als bescherming tegen de kou en merkt vervolgens dat iedere soldaat die hij tegenkomt vanzelf in de houding springt. Hij krijgt zelfs zeggenschap over het lot van deserteurs en andere oorlogsgevangenen in een interneringskamp. De onschuldige soldaat verandert in een niets en niemand ontziende oorlogsmisdadiger. Der Hauptmann laat zien hoe opportunisme van mensen beesten maakt.

5. The Guilty

The Guilty is een geslaagd voorbeeld van een film waarbij een beperking geen obstakel vormt maar een juist leidt tot een creatieve uitdaging. De Deense thriller speelt zich volledig af in de werkruimte van een 112-centrale en richt de camera op één personage: agent Asger Holm (Jakob Cedergren). Hij krijgt een ontvoerde vrouw aan de lijn en wil zich meer met de zaak bemoeien dan zijn functie hem toelaat. Voor een spannende film is soms niet meer nodig dan een strak script, een gedurfd sounddesign en een uitstekende acteur.

4. Cold War

Cold War gaat over de roerige liefdesrelatie tussen een muzikant en zijn muze. Het Poolse drama volgt tevens de ontwikkeling en de verschillende gedaantes van een volksliedje. Het verhaal wordt niet alleen in prachtig gefotografeerde zwart-witbeelden verteld, maar ook aan de hand van muziek. De elliptische vertelwijze dwingt de kijker om zelf de ontbrekende gebeurtenissen in te vullen. Het doet ons tegelijk realiseren hoe kostbaar tijd is en hoe het uit onze vingers glipt.

3. The Florida Project

Empathische regisseur Sean Baker filmt met geduld en zonder een oordeel te vellen over zijn personages. Hij haalt het beste uit een cast die voornamelijk bestaat uit mensen zonder filmervaring. Professional Willem Dafoe wordt bijna van het doek gespeeld door een zesjarige deugniet (Brooklynn Prince) in een film waarin humor op geslaagde wijze aan sociale bewogenheid wordt gekoppeld.

2. Roma

Latijns-Amerikaanse verhalen over huishoudsters leveren vaak prachtige films op. Denk maar aan La Nana/The Maid (Sebastián Silva, 2009) en Que Horas Ela Volta?/The Second Mother (Anna Muylaert, 2015). Mexicaanse regisseur Alfonso Cuarón brengt met Roma een ode aan zijn eigen vroegere huishoudster. De zeer persoonlijke film is een technisch perfecte reconstructie van Cuaróns jeugd begin jaren zeventig. Terwijl buiten politieke onrust heerst wordt binnenshuis het leven van het gezin van moeder Sofia opgeschud door het vertrek van vader Antonio. Huishoudster Cleo is voor de kinderen iemand om van op aan te kunnen in moeilijke tijden. Roma koppelt kleine persoonlijke verhalen aan grote nationale gebeurtenissen en doet dat soms door de camera eenvoudigweg te zwenken van een binnenruimte naar een massascène op de straten van Mexico Stad. De details waarmee Cuarón zijn herinneringen oproept zijn op het grote filmdoek het best waarneembaar zoals in december bleek tijdens de vertoning in Zaal 1 van EYE.

1. Western

Bijna stond Roma op de eerste plek, maar uiteindelijk koos ik toch voor een film die me na de vertoning op IFFR begin februari nog steeds helder bijstaat. De derde speelfilm Western van Duitse regisseuse Valeska Grisebach gaat over Meinhard (nieuwkomer Meinhard Neumann), een Europeaan die nergens thuishoort. Hij past niet in de groep Duitse arbeiders met wie hij nabij een Bulgaars grensdorp werkt aan de bouw van een waterkrachtcentrale en hij hoort ook niet bij de lokale bevolking waar hij contact mee zoekt. De plotlijn van Western lijkt onzichtbaar omdat alles op documentaire wijze gefilmd is. De motieven van Meinhard zijn lastig te doorgronden en dus verrast zijn personage omdat hij keuzes maakt die je niet aan ziet komen. De man is zowel gemotiveerd door zijn zoektocht naar acceptatie en vriendschap als door de haantjesstrijd met brute collega Vincent (Reinhardt Wetrek). Die twee uitgangspunten blijken lastig met elkaar te combineren.

Films die de Nederlandse bioscoop (nog) niet hebben gehaald 1. An Elephant Sitting Still (Bo Hu, 2018)

An Elephant Sitting Still is een lange, ambitieuze Chinese mozaïekfilm van de vroeg overleden debuterende regisseur Bo Hu (1988-2017) over een dag in het leven van verschillende, weinig vermogende personages. Ze zijn de regie over hun bestaan kwijt door toedoen van de corruptie, misdaad, algehele liefdeloosheid en het gebrek aan solidariteit waar ze elke dag mee worden geconfronteerd. Konden ze de wereld maar gewoonweg negeren net zoals de olifant uit de titel.

2. Happy Hour (Ryûsuke Hamaguchi, 2015)

Ryûsuke Hamaguchi’s 317 minuten durende film werd op Letterboxd getipt door OMC. Happy Hour is een hedendaagse variant op de vrouwenfilms van de Japanse regisseur Mikio Naruse (1905-1969). Vier bevriende dertigers nemen in Kobe hun relaties kritisch onder de loep wanneer een van hen op het punt staat van haar man te scheiden. Besta je eigenlijk nog wel in Japan als je besluit zonder man verder te willen leven? Happy Hour won in het thuisland meerdere prijzen, maar is in ondertitelde versie officieel alleen via Amerikaanse import op dvd verkrijgbaar.

3. American Animals (Bart Layton, 2018)

Regisseur Bart Layton verraste enkele jaren geleden met de documentaire The Imposter (2012). Ook in zijn eerste speelfilm staan fictie en werkelijkheid op gespannen voet met elkaar. Het verhaal over vier studenten in Kentucky en hun plan voor het stelen van kostbare boeken is op waarheid gebaseerd en wordt door de echte criminelen van commentaar voorzien. Feiten en fictie worden vernuftig en met veel komisch effect door elkaar verweven. Het avontuur wordt grimmiger naarmate de hoofdpersonages merken wat de consequenties van hun daden zijn. Amsterdam speelt een kleine bijrol met de Duitse acteur Udo Kier als contactpersoon Van der Hoek. Kier kwam dit jaar vaker voorbij en was in de bioscoop te zien in Don’t Worry, He Won’t Get Far On Foot en Figlia Mia.

4. Thunder Road (Jim Cummings, 2018) 5. Support The Girls (Andrew Bujalski, 2018)

Geen enkele film van de zes die Andrew Bujalski sinds 2002 heeft gemaakt kreeg een Nederlandse bioscoopuitbreng en dat is eigenlijk best wel schandalig, zeker wat betreft de feministische komedie Support The Girls. Actrice Regina Hall revancheert zich van flauwe komedies als Scary Movie 1 t/m 64 en speelt de rol van haar leven als restaurantmanager Lisa. Ze wordt door haar collega’s gewaardeerd vanwege haar managementtalent en een betrokkenheid die verder gaat dan de deur van het restaurant. Macho bedrijfseigenaar Cubby (James Le Gros) denkt daar anders over en confronteert Lisa met een maatschappij waarin alleen winst telt en mannen de dienst wensen uit te maken.

6. Madeline’s Madeline (Josephine Decker, 2018)

7. Strangled (Árpád Sopsits, 2016)

8. Pin Cushion (Deborah Haywood, 2017)

9. La Petite Fille Qui Aimait Trop Les Allumettes (Simon Lavoie, 2017)

10. Sollers Point (Matthew Porterfield, 2017)

Documentaires
  1. The Vietnam War
  2. Dawson Frozen City
  3. Rabot
  4. Three Identical Strangers
  5. Won’t You Be My Neighbor
  6. Filmworker
  7. Dead Slow Ahead
  8. The King
  9. Crime + Punishment
  10. 70/52
Klassiekers (Blu-ray, DVD, streaming)

2018 was het jaar van Orson Welles. Documentairemaker Mark Cousins maakte een biografie over de regisseur aan de hand van Welles’ tekeningen. Netflix gaf de eindelijk afgeronde versie van Welles’ laatste project The Other Side Of The Wind cadeau en aan het eind van het jaar bracht Criterion The Magnificent Ambersons uit op Blu-ray. De door de studio verminkte film uit 1941 is voor twee derde het meesterwerk dat het volgens de kenners is. Het laatste half uur vind ik nog steeds niet om door te komen. In de vele extra’s op de Blu-ray wordt uitgebreid uitgelegd waar het allemaal mis is gegaan.

Criterion bracht ook een glimmend opgepoetste versie uit van Martin Scorsese’s kostuumdrama The Age Of Innocence. De thuisbioscoop vertoonde daarnaast voor het eerst de debuutfilms van Milos Forman en Wim Wenders, de bewegende Jules Vernes-prentenboeken van het Tsjecho-Slowaakse animatiegenie Karel Zeman, een anarchistisch komedie van Adolfas Mekas en een van de weinige fictiefilms van de minimalistische documentairemaker James Benning. Het label Powerhouse Films blijft filmfanaten vanuit Engeland bestoken met boxen vol cultfilms. Van de serie met films uit de koker van Hammer is Volume Two met misdaadfilms het interessantst, onder meer vanwege de idiote openingsscène in The Snorkel (1958), Peter Cushing als bankmedewerker in kraakfilm Cash On Demand (1961) en het nog steeds actuele Never Take Sweets From A Stranger (1960). En dan heb ik nog niet eens over de vele extra’s aan commentaren, documentaires en andere context.

  • 11 x 14 (James Benning, 1977)
  • The Age Of Innocence (Martin Scorsese, 1993)
  • Die Angst des Tormanns beim Elfmeter (Wim Wenders, 1972)
  • Black Peter (Milos Forman, 1964)
  • Derek Jarman Volume 1: 1972-1986 (box)
  • Invention For Destruction (Karel Zeman, 1958)
  • Hallelujah The Hills (Adolfas Mekas, 1963)
  • Hammer Volume Two: Criminal Intent (box)
  • The Magnificent Ambersons (Orson Welles, 1942)
  • The Other Side Of The Wind (Orson Welles, 2018)
Teleurstellingen in de (thuis)bioscoop Halloween (David Gordon Green, 2018)

Denkend aan Halloween zie ik John Carpenter voor me als grijzende rockster in TivoliVredenburg. Drie weken voordat de nieuwe Halloween 1 november in Nederland in première ging speelde de regisseur samen met zijn zoon Cody en drie overige bandleden het door hem geschreven nieuwe filmthema live voor een uitverkochte grote zaal. Carpenter was naast componist verder alleen als executive producer betrokken bij vervolg nummer zoveel van zijn horrorklassieker uit 1978. Het script van Halloween 2018 lijkt geschreven rondom een opeenvolging van verwijzingen naar het origineel en heeft verder weinig meer te bieden dan voorspelbare en daardoor tandeloze schrikeffecten.

LBJ (Rob Reiner, 2016)

Als je me zou vragen wie het meest geschikt is om de rol van president Lyndon B. Johnson te spelen, dan zou ik zonder te hoeven nadenken meteen Richard Jenkins noemen. Het vreemde aan de film LBJ is dat Jenkins inderdaad meespeelt, maar dan in de rol van senator Richard Russell. De hoofdrol wordt gespeeld door een opzichtige gezichtsprothese.

Loro (Paolo Sorrentino, 2018) Loro (foto: Gianni Fiorito)

Tijdens het ondergaan van Loro voelde ik me als het onfortuinlijke schaapje dat in de openingsscène bezwijkt na het binnenlopen van Silvio Berlusconi’s villa. Er is veel aan te merken op deze politieke satire, maar laat ik me beperken tot één scène. Ergens in het tweede deel draait Berlusconi (Toni Servillo) uit pure verveling een willekeurig telefoonnummer en weet hij een niet bestaand huis te slijten aan een eenvoudige huisvrouw. Regisseur Paolo Sorrentino wil laten zien wat een charmeur Berlusconi is en dat de corrupte politicus met zijn charme alles gedaan krijgt. Het lukte de regisseur alleen niet om mij daarvan te overtuigen. Niemand koopt een huis naar aanleiding van gladde telefoonpraatjes, zelfs die eenvoudige mevrouw niet. Berlusconi is in Loro te veel een karikatuur om in het personage te geloven. Sorrentino’s Berlusconi kan niet tippen aan die andere dubieuze charmeur uit 2018: Jimmy McGill (Bob Odenkirk) in het vierde seizoen van de serie Better Call Saul.

  • M (Sara Forestier, 2017)
  • Mute (Duncan Jones, 2018)
  • Niemand In De Stad (Michiel van Erp, 2018)
  • El Presidente a.k.a. La Cordillera a.k.a. The Summit (Santiago Mitre, 2017)
  • Transit (Christian Petzold, 2018)
  • The Wife (Björn Runge, 2018)
  • Woodshock (Kate & Laura Mulleavy, 2017)
Boeken

Films nemen te veel ruimte in beslag, niet alleen wat betreft tijd maar ook als het gaat om beschikbare kastruimte. En als ik eenmaal aan een boek toekom is er altijd wel een link met film of muziek. Verder dan het onderstaande lijstje kwam ik niet in 2018.

Viv Albertine – To Throw Away Unopened

Gitarist Viv Albertine zat ooit in de invloedrijke vrouwenband The Slits en schreef in 2014 uitgebreid over haar muziekcarrière in Clothes, Clothes, Clothes. Music, Music, Music. Boys, Boys, Boys. Albertine speelt ook een hoofdrol in de film Exhibition (Joanna Hogg, 2013). Het verhaal van The Slits was dit jaar op het filmfestival in Rotterdam te zien in de documentaire Here To Be Heard: The Story Of The Slits. Albertine beschrijft in haar tweede boek zonder enige terughoudendheid hoe ze afrekent met haar familieverleden. Ze probeert te achterhalen wie van haar ouders de meest negatieve invloed op haar leven heeft gehad. Haar zoektocht wordt doorsneden met een uiterst pijnlijke confrontatie aan het sterfbed van moeder. Deze gebeurtenis lijkt zich verspreid over het boek in slow motion af te spelen. Vanwege deze constructie leest To Throw Away Unopened als een spannende roman.

David Lynch, Kristine McKenna‎ – Room To Dream

Kristine McKenna tekende de memoires op van David Lynch en liet de regisseur daar vervolgens per hoofdstuk op reageren. Room To Dream valt vanwege deze gekozen vorm af en toe nodeloos in de herhaling. Lynch zal de laatste zijn om zijn eigen werk uitgebreid te analyseren, maar het boek bevat voldoende anekdotes om meer inzicht te krijgen in zijn beweegredenen en werkmethoden.

Werner Schroeter – Days of Twilight, Nights of Frenzy: A Memoir

De Duitse regisseur Werner Schroeter (1945-2010) was een tijdgenoot en vriend van onder meer Rainer Werner Fassbinder en Wim Wenders. Zijn operateske filmstijl zal niet iedereen bekoren, zeker als het gaat om zijn vroege experimentele werk. Schroeter was fan van Maria Callas en heeft haar ook meerdere keren gesproken. Een gezamenlijke film is er nooit van gekomen, maar haar muziek keert regelmatig terug in zijn films. In het boek Days of Twilight, Nights of Frenzy laat de regisseur zijn herinneringen de vrije loop, onder meer over de relatie met muze Magdalena Montezuma. Haar poëtische zwanenzang Der Rosenkönig (1986) staat op YouTube. Het boek was een goede aanleiding voor het zien van meer van zijn latere, meer plotgerichte werk zoals de migrantenfilm Palermo Oder Wolfsburg (1980) en zijn laatste film Nuit De Chien (2008). Schroeter werkte in
Malina (1991) samen met Isabelle Huppert (hoofdrol) en Elfriede Jelinek (scenario) tien jaar voordat Michael Haneke met hen The Piano Teacher maakte.

Anthony DeCurtis – Lou Reed: A Life

Lou Reed was een moeilijke man, een nare man zelfs. Zijn solocarrière interesseerde me tot voor kort veel minder dan zijn baanbrekende werk met The Velvet Underground. Veel verder dan Berlin (1973), New York (1989) en Songs For Drella (1990) was ik niet gekomen Met zijn biografie in handen kreeg ik meer waardering voor platen als The Bells (1979) met o.a. Don Cherry, The Blue Mask (1982) en Ecstasy (2000). In april zong Reed postuum mee tijdens het optreden van zijn weduwe Laurie Anderson tijdens haar optreden op het festival Rewire in Den Haag.

Terugblik 2018: muziek

za, 12/29/2018 - 18:04
The Ex

De eindredacteur van The Wire merkte in de laatste editie van 2018 op dat de ingezonden individuele lijstjes voor het traditionele jaaroverzicht nog meer van elkaar afweken dan in de voorgaande jaren. Het gebrek aan consensus onder muziekkenners is een logisch gevolg van het gebrek aan overzicht in het digitale tijdperk. De meeste mensen creëren een eigen niche uit het onuitputtelijke aanbod, zeker als ze zich niet laten leiden door gratis promo’s. Ik haal mijn inspiratie voornamelijk uit de playlist van WFMU, de zondagavond op de Concertzender, de schappen van Rush Hour en wat ik toevallig tegenkom in Concerto, de aftiteling van bijzondere films, verrassende voorprogramma’s, de vele tips op Twitter en het eerder genoemde The Wire. Bij het samenstellen van het onderstaande overzicht van 2018 heb ik me zoveel mogelijk beperkt tot albums die fysiek in de kast staan.

Concerten 1. The Ex in Semai (30 maart)

Geen jaar zonder The Ex en daarom ook geen jaarlijstje zonder The Ex. Het Amsterdamse kwartet presenteerde eind maart het langverwachte nieuwe album 27 Passports in de afgeladen feestzaal van het Eritrees/Ethiopische restaurant Semai in Amsterdam-Noord. Het nieuwe songmateriaal, dat we een jaar eerder hoorden rijpen tijdens optredens in OT301 en het Utrechtse dB’s, was tot volle wasdom gekomen en denderde met veel geestkracht via het lage, bezwete plafond dwars door de middenriffen van de aanwezigen. Naast de vele grijzende usual suspects werd ook opvallend veel jong publiek opgetild door de noisy riffs, Afrikaanse loopjes en rollende drumpartijen. The Ex weet als geen ander hoe je repeterende composities moet opbouwen zonder in herhaling te vervallen. Het openingsloopje van toegift Maybe I Was The Pilot, van het album Catch My Shoe (2010), werd massaal meegezongen alsof het de officiële opvolger was van de riff in Seven Nation Army.

2. Rooie Waas in Mezrab (22 maart) Rooie Waas: Mikael Szafirowski, Gerri Jäger & Gijs Borstlap 3. UUUU + Arto Lindsay & Zs + The Thing tijdens Rewire (7 april) UUUU 4. Peter Sijbenga & Jelle Buma spelen Nasmak in Q-Factory (2 november) Peter Sijbenga en Jelle Buma 5. Circuit des Yeux + Irreversible Entanglements tijdens Le Guess Who (11 november) Irreversible Entanglements Albums (alfabetisch) 1. The Avonden – Wat Een Cirkel Is

Optredens van The Avonden zijn opbeurende aangelegenheden met de opgetogen zanger, gitarist en songschrijver Marc van der Holst als stralend middelpunt. Openingsnummer Laat De Kerken Branden (thematisch gezien de Nederlandse variant op Kerosene van Big Black) is een heuse meezinger. Humor hoort bij het werk van Van der Holst, zowel in zijn muziek als bij het optekenen van de avonturen van stripheld Spekkie Big. Het is terloopse humor ter verzachting van de zielenpijn waar het album Wat Een Cirkel Is van is doortrokken. De teksten werken niet toe naar een pointe – het komische effect komt door de schijnbaar eenvoudige manier waarop korte zinnen worden geformuleerd en soms net niet binnen de maat passen. Van der Holst weet een heel leven op te roepen met slechts een paar simpele rake woorden. Als je de liedjes in een andere volgorde legt kun je een verhaal reconstrueren over een personage dat vanwege misstappen tijdens de middelbareschooltijd jaren later last krijgt van geestelijke kwellingen. De dienstbare begeleidingsband zorgt ervoor dat het leed nergens wordt overgedramatiseerd. Meerdere liedjes spelen zich af in een inrichting waar waandenkbeelden met pillen worden bestreden. De nuchtere en openhartige manier waarop over deze periode wordt gezongen wekte bij eerste beluistering een ontroering op die me volledig overviel.

2. Courtney Barnett – Tell Me How You Really Feel
3. The Ex – 27 Passports 4. GAS – Rausch

Een uitgerekte elektronische fanfare voor een toekomst zonder mensheid.

5. Geins’t Naït / Laurent Petitgand – Make Dogs Sing

Een verzameling niet eerder uitgebrachte filmmuziek en experimentele ambient uit Frankrijk.

6. The Howl Ensemble – Patina

Normaal gesproken loop ik met een extra wijde boog om bands heen die vallen binnen het uitgebluste genre postrock. Ik maak graag een uitzondering voor de Haagse band The Howl Ensemble. Het trio stopt voldoende bestanddelen in de mix om de instrumentale muziek boven het gemiddelde aanbod te trekken en de lange nummers tot aan het slotakkoord boeiend te houden. Het helpt ook dat de muzikanten hun instrumenten uitstekend beheersen. Het geluid van de duellerende gitaren wordt door effectapparatuur verrijkt en gastbijdragen van akoestische instrumenten (vibrafoon, trombone en baritonsaxofoon) zorgen ervoor dat de snelle noten en onregelmatige maatsoorten niet uitmonden in kille technische exercities. The Howl Ensemble is ook live de moeite waard zoals bleek tijdens hun optreden in OCCII op 28 juni.

7. HOWRAH – Self_Serving Strategies 8. Jóhann Jóhannsson – Mandy (Original Motion Picture Soundtrack) 9. Lewsberg – Lewsberg

Lewsberg zou op het eerste gehoor als Velvet Underground-epigoon weggezet kunnen worden. Sommige nummers op de debuutplaat klinken als herontdekte outtakes van het derde Velvets-album en de praatzanger in Non-fiction Writer had het verhaal in The Gift verteld kunnen hebben in plaats van John Cale. De Rotterdamse band roept meer referenties op. Bill Callahan van Smog klinkt door in Terrible en de nerveuse gitaartjes in Chances hebben een Feelies feel. Toen ik na het draaien van Lewsberg het tweede album van Television uit 1978 opzette bleken de twee bands elkaar niet te bijten. De band speelt cerebrale rock met een intellectuele afstandelijkheid. De minimalistische gitaarpartijen worden met veel precisie in rechte lijnen uitgevoerd alsof een liedje een architectonisch basisconcept is. Zanger/gitarist Arie van Vliet houdt emoties op afstand. Gitarist Michiel Klein speelt vrijwel onbewogen zijn onderkoelde cleane licks en overrompelt op dezelfde wijze met woedende noise-solo’s waarmee hij de songconstructie probeert te slopen. Het intellectuele imago van de band wordt definitief afgeschud door de rockende ritmesectie.

10. Michael Beharie & Teddy Rankin-Parker – A Heart From Your Shadow

De eerste gezamenlijke plaat van muzikant/producer Michael Beharie (Zs) uit New York en cellist Teddy Rankin-Parker uit Chicago begint sereen als a doom symphony of urban anxiety, zoals de begeleidende tekst het op de Bandcamp-pagina omschrijft. Het album bestaat verder uit gevarieerde botsingen tussen onrustige samples en cello-improvisaties. Ritualistische ritmes (Gully) worden afgewisseld met onheilspellende soundtracks (Smooth Face). Het geheel doet in de verte denken aan het duo The Books, maar dan donkerder, rauwer en zonder relativerende humor. De plaat is gemixt door Jim O’Rourke en gemasterd door James Plotkin.

11. Roy Montgomery – Suffuse

De echoënde guitarscapes van Roy Montgomery klinken op Suffuse minder vrijblijvend dan op eerdere, instrumentale platen. Dat heeft de gitarist te danken aan de bijdragen van gastzangeressen. De bariton van Haley Fohr (Circuit des Yeux), die dit jaar ook extra smaak gaf aan het album Bellowing Sun van Mind Over Mirrors, trekt vanaf haar eerste noot het openingsnummer Apparition volledig naar zich toe. De overige deelnemende zangeressen zijn Jessica Larrabee (She Keeps Bees), Katie Von Schleicher, Clementine en Valentine Nixon (Purple Pilgrims), Julianna Barwick en Liz Harris (Grouper).

12. Georgia Anne Muldrow – Overload

Volgens muziekblad Oor is Dirty Computer van Janelle Monáe het beste album van 2018. Het lukte mij niet te horen wat zo bijzonder is aan die popplaat. Er staat geen enkele track op die mijn oren doet spitsen en me van mijn werk afhoudt. Dat gebeurde wel tijdens het draaien van Overload van de Amerikaanse zangeres Georgia Anne Muldrow. Haar gestapelde vocalen trekken zich vaak niets aan van geijkte songstructuren en volgen eigenwijs, vastberaden en moeiteloos een eigen grillig slingerende lijn.

13. Brett Naucke – The Mansion

Eén track van The Mansion tijdens een uitzending van What Was Music? op het Amerikaanse radiostation WFMU was genoeg om direct het album van Brett Naucke te bestellen. Het muzikale bouwwerk van de elektronische componist uit Chicago laat zich beluisteren als een wandeling door een spookhuis dat elk moment kan instorten. In elk vertrek zitten herinneringen elkaar in de weg en proberen muziek- en geluidsflarden aan de ruimte te ontsnappen. Dit is Virtual Reality voor gesloten ogen.

14. Pram – Across The Meridian

Pram is een tijdgenoot van Stereolab en Broadcast, maar is minder bekend en zal daarom niet vaak in dezelfde adem worden genoemd. De band uit Birmingham keerde deze zomer na elf jaar stilte terug, zonder zangeres Rosie Cuckston maar met een nieuw album. Bassiste Sam Owen heeft de vocalen ditmaal voor haar rekening genomen. De band blijft niet in het verleden hangen. Op Across The Meridian worden de vertrouwde dromerige fluisterliedjes afgewisseld met geïmproviseerd klinkende, exotische postpunkexperimenten waarin de trombone voor een vrolijke noot zorgt.

15. Puce Mary – The Drought

De Deense Frederikke Hoffmeier gebruikt noise ditmaal niet om te ontvluchten aan de onderdrukkende invloed van hedendaags architectuur en de steeds minder bewoonbaar wordende planeet, maar als middel om in deze wereld te kunnen overleven. De rustpunten op The Drought zorgen ervoor dat de muzikant veel meer de diepte in gaat dan op voorgaande albums.

Rereleases 1. Aksak Maboul – Un Peu De L’Âme Des Bandits (1980)

Het tweede album van Aksak Maboul, het kameleontische project van Vincent Kenis en Crammed Discs-oprichter Marc Hollander, is zo’n rijke plaat dat het me verbaast dat ik er niet eerder mee aanraking was gekomen. De Europese avant-garde is goed vertegenwoordigd met onder meer input van geëngageerde improvisatoren Fred Frith en Chris Cutler. Belgische zangeres Catherine Jauniaux zou later samenwerken met o.a. The Ex (Scrabbling At The Lock). De progressieve rock op Un Peu De L’Âme Des Bandits klinkt als Henry Cow met een punkrandje, Arabisch getinte uitstapjes, free jazz en verdwaalde elektronica. Deze heruitgave bevat een extra cd met nog meer moois uit de korte historie van de band.

2. Taj Mahal Travellers – August 1974 (1975)

Dankzij de heruitgave op het Belgische label Aguirre Records kunnen we vier plaatkanten en anderhalf uur lang zweven op de geïmproviseerde drones en andere psychedelische experimenten van het Japanse gezelschap Taj Mahal Travellers. De muziek zou als alternatieve soundtrack kunnen dienen bij de film Horrors of Malformed Men (Teruo Ishii, 1969) die dit jaar door Arrow Video opnieuw werd uitgebracht.

3. Acezantez – Acezantez (1973)

Het gezelschap Acezantez is opgericht door de Kroatische componist en muzikant Dubravko Detoni. Op het gelijknamige album uit 1973 staan elektronische composities met analoge samples, fragmenten van 78-toerenplaten, radiostemmen, tekstsnippers en industriële ritmes. Gesneden koek voor fans van Nurse With Wound.

4. Joe Henderson featuring Alice Coltrane – The Elements (1974) 5. Hal Singer & Jef Gilson – Soul Of Africa 6. Steve Lacy, Yuji Takahashi, Takehisa Kosugi – Distant Voices (1976) 7. Cyrnai – Charred Blossoms (1985) 8. The Nightcrawlers – The Biophonic Boombox Recordings (1980-1991)

Scènes die ik in 2018 liever niet had gezien – Deel 2: Niemand In De Stad

za, 12/22/2018 - 15:09

Voordat ik eind deze maand uitgebreid terugblik op het afgelopen muziek- en filmjaar, belicht ik deze week twee scènes uit 2018 die ik het liefst uit mijn geheugen zou laten wissen. De tweede scène waar ik liever niet meer aan herinnerd wil worden komt voor in Niemand In De Stad.

Het speelfilmdebuut Niemand In De Stad van documentairemaker Michiel van Erp speelt zich af in het milieu van Amsterdamse corpsballen. Deze luidruchtige stropdassen hebben over het algemeen een slechte reputatie, onder meer vanwege excessen tijdens ontgroeningsrituelen. Elke negatieve gedachte die je over dit soort mensen hebt wordt door de film bevestigd, in het bijzonder door toedoen van een expliciete scène in het eerste deel van de film. In deze scène stopt een van de ballen als onderdeel van een weddenschap 24 borrelnootjes op een plek in zijn lichaam waar je liever geen close-up van ziet. De scène laat een nare smaak achter en maakt het onmogelijk om tragische figuren te willen zien in Amsterdamse student Philip Hofman (Minne Koole) en zijn kornuiten. Toch is dat wat Niemand In De Stad van de kijker lijkt te verlangen.

In de centrale verhaallijn zet Philip zijn relatie met deugdzame studiegenoot Elizabeth (Julia Akkermans) op het spel door vreemd te gaan met de uitdagende Karen (Sofie Porro). Dat gegeven is voor de filmmaker aanleiding voor het tonen van veel decoratief bloot, want dat is immers sinds de jaren zeventig een traditie in Nederlandse speelfilms. Philips gedrag roept alleen medelijden op voor Elizabeth.

De avontuurtjes van Philip zijn voor hem meer opwindend dan voor de kijker. Ze worden onderbroken door twee verhaallijnen met twee van zijn vrienden in de hoofdrol. In de eerste zijlijn zoekt maatje Matt (Jonas Smulder) met tegenzin toenadering tot zijn vader (Huub van der Lubbe). Vader woont in Spanje met een veel te jonge vriendin. Hij heeft voor zijn zoon een belangrijke mededeling die al in de trailer van de film wordt verklapt. De reis van Philip en Matt naar Spanje levert slechts een ongemakkelijk gesprek aan tafel op waarbij het ongemak vooral veroorzaakt wordt door gebrek aan bevlogen dialogen en het ontbreken van chemie tussen de acteurs. Het lijkt alsof de regisseur hoopte dat de confrontatie vanzelf tot een interessante scène zou leiden.

Niemand In De Stad (Huub van der Lubbe & Jonas Smulder)

Ook in de tweede zijlijn over vriend Jacob (Chris Peters) wordt de rol van Philip gereduceerd tot die van getuige. Jacob durft binnen de ballencultuur niet uit te komen voor zijn homoseksualiteit, bang om uitgestoten te worden. Zijn ontwikkeling is in potentie interessanter dan Philips avonturen onder de dekens, maar omdat Philip in de spotlichten staat blijft Jacob een zonderlinge buitenstaander wiens levenswijsheden steeds meer beginnen te irriteren.

De film wordt meerdere keren onderbroken door tableaux vivants van personages die even de tijd nemen om rechtstreeks in de camera kijken. Het blijft onduidelijk wat de precieze functie is van deze bevroren momenten. Wat niet stoort in Niemand In De Stad zijn de mooie plaatjes van nachtelijk Amsterdam en de ontroerende korte rol van Ariane Schluter als Jacobs moeder.

Scènes die ik in 2018 liever niet had gezien – Deel 1: Tesnota

ma, 12/17/2018 - 20:27

December is traditioneel de maand waarin het bijna voorbije jaar wordt geëvalueerd. Ik begin de terugblik met twee scènes die ik het liefst uit mijn geheugen zou laten wissen. De eerste scène is een extreme video in het Russische drama Tesnota.

‘Die onthoofdingsvideo moest echt’, waarschuwde de kop boven het artikel in de NRC over Tesnota (Kantemir Balagov, 2017). Er was eigenlijk geen betere reden om die film aan me voorbij te laten gaan. Desondanks ging ik na enkele weken twijfelen toch naar de Filmhallen. Bij de kassa kreeg ik mijn tweede waarschuwing van een bezorgde kaartjesverkoopster. Ze belde later voor een andere bezoeker haar collega bij de bar met de vraag op welk moment de ellende in Tesnota begint. Ik luisterde aandachtig naar het antwoord en wist dus wanneer ik mijn ogen moest sluiten. Helaas bleek dat onvoldoende bescherming tegen wekenlange somberheid en terugkerende nachtmerries.

Tesnota (Danrya Zhovnar)

De afschuwelijke snuff video waar we ergens halverwege Tesnota mee worden geconfronteerd werd eind jaren negentig binnen bepaalde bevolkingsgroepen verspreid en was ook een hit in Naltsjik, de hoofdstad van de autonome Russische deelrepubliek Kabardië-Balkarië waar regisseur Kantemir Balagov vandaan komt en het personage Ila (Danrya Zhovnar) woont. Ila’s familie behoort tot een Joodse minderheid in de
deelrepubliek. De levenslustige jonge vrouw heeft aan het begin van de film nog toekomstdromen, maar die worden aan diggelen geslagen wanneer haar geliefde broer samen met zijn toekomstige bruid wordt ontvoerd. Ila vlucht de nacht in met haar Kabardische vriendje en zijn racistische kornuiten. Ze wordt tijdens hun troosteloze feestje geconfronteerd met de video waarop de extreme uitwassen van de etnische conflicten in het nabijgelegen Tsjetsjenië ongecensureerd worden getoond. Wat me van de rest van de film nog vaag is bijgebleven is de drugsroes van Ila als zinloze poging om aan de werkelijkheid te ontsnappen.

Tesnota laat zien hoe de opgewekte en opstandige Ila binnen een etmaal verandert in een gedesillusioneerde vrouw die moet accepteren dat afkomst haar onzekere toekomst bepaalt. Debuterend actrice Danrya Zhovnar speelt de gedaantewisseling zeer geloofwaardig. Balagov gunt de kijker alle tijd om het hoofdpersonage te leren kennen, onder meer in een lange scène waarin ze ’s avonds voor het huis met broer David (Veniamin Kac) een sigaret rookt en de innige, ietwat ambigue relatie tussen de twee invoelbaar wordt.

Uiteindelijk blijft na afloop van Tesnota de video als een dreigende donkere wolk boven de herinnering aan de film hangen. Het sluiten van de ogen bleek een vergeefse manier om me voor de inhoud af te sluiten. Als ik aan de film terugdenk hoor ik weer de geluiden uit een abattoir waar mensen de keel wordt doorgesneden, de smeekbedes van weerloze jongens in doodsangst en het gorgelen van mensen die in hun eigen bloed stikken. Geluiden zijn minstens zo schokkend als beelden. Daar kwam ook Werner Herzog achter toen hij in Grizzly Man (2005) de geluidsopname hoorde waarop te horen is hoe het onderwerp van zijn documentaire door een beer levend verscheurd en opgepeuzeld wordt. Vernietig deze opname voor je eigen bestwil, was zijn dringende advies aan de eigenaar van de tape. Mijn advies aan de lezer is om Tesnota ongezien te laten.

Kikagaku Moyo in Paradiso (8 december 2018)

zo, 12/09/2018 - 17:45
Kikagaku Moyo (foto: Jörn Krüger)

Paradiso’s Indiestad presenteerde gisteren een avondvullend programma rondom Kikagaku Moyo. Deze Japanse psychrockband brengt platen uit via het Amsterdamse label Guruguru Brain en speelde dus eigenlijk een thuiswedstrijd. De avond had meer te bieden dan lange haren en Paisley-shirts. Het nuchtere HOWRAH mocht de avond openen in de bovenzaal en was vanwege hun bijdrage een extra stimulans om naar Paradiso af te reizen.

Ondanks de belabberde weersomstandigheden waren er al aardig wat bezoekers in de kleine zaal van Paradiso aanwezig toen stipt om 18.30 uur de lichten dempten en HOWRAH het podium betrad. Het Nederlandse kwartet speelde nummers van het album Self_Serving Strategies en ging meteen voluit met het stampende Vacuity. De in het begin opvallend luid afgestelde basdrum van Ineke Duivenvoorde nam enkele minuten de hartslag van het publiek in de voorste rijden over. De zang van gitarist Cees van Appeldoorn kwam deze keer helder boven de gitaren uit zodat we hem voor de verandering woord voor woord konden verstaan. De bovenzaal is vertrouwd terrein voor HOWRAH en de band klinkt daar altijd goed. De ruimte houdt de volle gitaarpartijen van Van Appeldoorn en Gijs Loots compact. Toch zou ik ze wel eens willen horen uitwaaieren in de grote zaal van Paradiso.

PAINT (bron: YouTube)

De bovenzaal was te klein voor de Amerikaanse band PAINT van Allah-Las-gitarist/zanger Pedrum Siadatian (niet te verwarren met het Canadese Paint). Ik hield het in de voorste rijen ongeveer vijf nummers vol, wat genoeg was om te kunnen constateren dat de lui achterover hangende psychedelische Syd Barrett-pop duidelijk niet aan mij was besteed. De vijf adequaat musicerende bandleden (inclusief toetsenist die een fluit tevoorschijn toverde) probeerden het geheel ritmisch interessant te houden door vierkwartsmaten enkele keren te verruilen voor een zesachtste of andere, onregelmatige maatsoort. Ze hoopten ondertussen tevergeefs dat de onopvallende akkoordenschema’s vanzelf tot liedjes zouden transformeren.

Hoofdact Kikagaku Moyo blijkt een grote aanhang te hebben, want de grote zaal van Paradiso was afgeladen. De vijf langharige bandleden werden er een beetje verlegen van. Ze gaan op hun albums met grote regelmaat loos in vrije spacey jams, maar lieten live minder aan het toeval over, spelend met een neiging tot perfectionisme waar meer Japanse bands om bekend staan. De feminiene uitstraling kwam behalve het uiterlijk ook tot uiting in de broze, meisjesachtige manier van zingen. Kikagaku Moyo wisselde af tussen fijnbesnaard en ongenadig rockend. Tijdens de kalme nummers werd de sitar naar voren geschoven en tijdens de luide uithalen overheerste het wah wah-pedaal van de solerende gitarist.

Kikagaku Moyo (foto: Sara Clëicampo)

De band klonk het meest geraffineerd nadat twee stoelen voor op het podium waren gezet, een van de bandleden een cello tevoorschijn haalde en akoestische gitaren op de knieën rustten. Soms was de set me iets te netjes binnen de lijntjes en wenste ik dat band zich net zo onbesuisd liet gaan in psychedelische noise zoals de landgenoten van Acid Mothers Temple.

Eerder op de avond speelde het Londense duo Tomaga op het grote podium. Tom Relleen en Valentina Magaletti waren wat mij betreft het hoogtepunt van de avond. Relleen had ik tijdens Grauzone 2015 in actie gezien als bassist in The Oscillation. Magaletti speelde eerder dit jaar drums in UUUU tijdens het Haagse festival Rewire. Gezamenlijk maken ze muziek die meer Duitse dan Britse invloeden laat horen en is te vergelijken met krautrock uit de jaren negentig van bands als Kreidler en To Rococo Rot.

Tomaga (bron: YouTube)

Tomaga speelde in Paradiso ritmische soundtracks met minimale baslijnen, golvende akkoorden uit een moderne Mellotron, white noise uit een Korg MS20 en heel veel ruimte voor de drums en percussie van de onvermoeibare Magaletti. Ze drumde alsof ze minsten twee extra armen had en speelde moeiteloos tegelijkertijd een basispartij, fills op toms en herhalende melodielijnen op glockenspiel. Haar spel bleef gelukkig dienstbaar aan het totaalgeluid, want anders zaten we naar een drumsolo van drie kwartier te luisteren. Het duo klonk live warmer dan de abstracte stukken op hun recente album Music For Visual Disorders (2018) met muziek voor kunstobjecten en tentoonstellingen. De diepe bassen zorgden voor een reggae-gevoel waardoor Tomaga soms klonk als het experimentele equivalent van Sly and Robbie.

Bovenstaande foto’s zijn afkomstig van onder meer de Instagram-accounts van Jörn Krüger en Sara Clëicampo. Filmpjes van PAINT en
Kikagaku Moyo zijn te zien op het YouTube-kanaal van Maurizio During.

Regen (Joris Ivens, 1929)

zo, 12/02/2018 - 17:51

Je zult het waarschijnlijk niet willen toegeven wanneer je tijdens een regenbui door de hoofdstad fietst, maar in de regen is Amsterdam op zijn mooist. Dat zal ook Joris Ivens’ gedachte geweest zijn toen hij in 1929 de korte film Regen vastlegde. Regen werd in 2007 opgenomen in de canon van de zestien belangrijkste Nederlandse films ooit gemaakt. Dit jaar kreeg filmmaker Chris Teerink van het Amsterdams Fonds voor de Kunst groen licht om zijn droomproject te realiseren: een remake van Regen.

In het lijvige en veelgeprezen The New Biographical Dictionary Of Film zijn slechts drie Nederlandse filmmakers terug te vinden. Filmjournalist David Thomson beperkt zich in zijn naslagwerk tot Jan de Bont, Paul Verhoeven en Joris Ivens. Documentairemaker Ivens (1898-1989) is van de drie relatief het minst bekend. De vermelding in het boek zegt iets over de internationale waardering voor zijn werk. Voordat Joris Ivens een controversiële politieke filmmaker werd, en regelmatig in botsing kwam met de Nederlandse overheid, was hij een van de belangrijke spelers binnen de internationale filmavant-garde. Hij maakte in de zwijgende filmperiode net als generatiegenoten Walter Ruttmann (Berlin – Die Sinfonie Der Großstadt, 1927), Alberto Cavalcanti (Rien Que Les Heures, 1925) en Dziga Vertov (Man With A Movie Camera, 1929) zogenaamde stadssymfonieën. Zijn bekendste is de korte film Regen (1929), een samenwerking met Mannus Franken (1899-1953).

Een stadssymfonie legt het dagelijkse leven in de grote stad vast alsof een moderne schilder achter de camera heeft plaatsgenomen. De stad is het hoofdpersonage en in het geval van Regen is dat Amsterdam. De bedrijvigheid op straat wordt aan het begin van de film nog door de zon beschenen. Vanaf de kade zien we een stoomschip de haven verlaten. Volgeladen vrachtschepen varen onder bruggen door. Langs de kant van de gracht duwt een schillenboer zijn kar voor zich uit. Al snel trekt de wind aan en stapelen donkere wolken zich op boven de gevels. Een man staakt even zijn wandeling en voelt de eerste regendruppels op zijn hand. Hij loopt snel door in een poging droog op de plaats van bestemming te komen.

Als de regen valt, verandert de film in een bewegend abstract schilderij. Regendruppels vormen groeiende cirkels in het grachtenwater. Het oppervlak van de straatkeien lijkt tot leven te komen. Glinsterende wegen weerspiegelen voorbijrijdend verkeer. Beregende tramramen maken de stad tot een impressionistische schets. De camera kijkt naar de beneden gelegen straat en abstraheert lopende mensen tot zwevende zwarte paraplu’s. Iedereen probeert een veilig heenkomen te zoeken. De trams zitten extra vol.

Regen is meer een filmisch muziekstuk dan een journalistiek stadsportret. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de Amsterdamse films van Ed van der Elsken, zoals Een Fotograaf Filmt Amsterdam (1983), staat Ivens niet lang stil bij gezichten van passanten. Het is vaak lastig te bepalen waar de camera zich in de stad bevindt. Alleen de Munttoren en de spoorbrug naast het Centraal Station zijn goed herkenbaar. Vele andere gebouwen zijn sinds 1929 tegen de vlakte gegaan.

Chris Teerink wilde al heel lang een remake maken van Regen. Hij maakte eerder films over beeldende kunst (Sol LeWitt, 2012), muziek (Romania, 2011) en experimentele film (In The Shadow Of The Light uit 2007 over Jonas Mekas) en lijkt me gezien zijn achtergrond zeer geschikt om Regen met succes te verplaatsen naar de tegenwoordige tijd. Hij gebruikt daarbij geen hedendaagse digitale technologie, maar zal de film monteren aan de hand van analoge zwart-witfoto’s die hij maakt tijdens regenbuien in het stadscentrum en de buitenwijken.

Deze zomer deed het Amsterdams Fonds voor de Kunst een oproep een plan in te sturen voor een korte film in het kader van Made In Amsterdam. Het filmidee van Teerink werd een van de twee geselecteerde projecten met als voorwaarde dat een deel van de financiering door middel van crowdfunding wordt binnengehaald. Meer achtergrondinformatie over dit project en hoe je het kunt steunen vind je op de website van Cinecrowd.

Cold War (Pawel Pawlikowski, 2018)

za, 11/24/2018 - 17:26

Cold War volgt de roerige liefdesrelatie tussen een muzikant en zijn muze. Het Poolse drama volgt tevens de ontwikkeling en de verschillende gedaantes van een volksliedje. Het verhaal wordt niet alleen in prachtig gefotografeerde zwart-witbeelden verteld, maar ook aan de hand van muziek.

Arrangeur, muzikant en orkestleider Wiktor (Tomasz Kot) en zangeres Zula (Joanna Kulig) ontmoeten elkaar in Cold War voor het eerst in 1949 wanneer zij auditie doet voor zijn muziekgezelschap Mazurek. Zula zingt samen met een andere auditant het volksliedje Dwa Serduszka. Wiktor was van tevoren al geïntrigeerd door Zula, vanwege haar verschijning en de verhalen rondom haar verleden, en is na het horen van het liedje volledig door de jonge vrouw betoverd. De twee hebben in de loop van de film en verspreid over vijftien jaar een gecompliceerde relatie met elkaar. De Koude Oorlog en Wiktors verlangen om naar het vrije Westen te vluchten zorgen ervoor dat de twee geliefden elkaar soms jarenlang niet zien.

Dwa Serduszka wordt in Cold War meermaals ingezet als middel om iets te bereiken. Zula kiest het liedje uit om indruk te maken op Wiktor. Ze wordt aangenomen vanwege haar zangkunst en omdat ze het hart van de muzikant heeft gestolen. De vrouw wordt zijn muze en hij schrijft een arrangement van Dwa Serduszka waar hij zijn liefde in elke noot vastlegt. De grote folkgroep Mazurek wordt door de Poolse overheid gedwongen ook pro-Russische liedjes aan het repertoire toe te voegen. Wiktor heeft geen zin om deel te worden van de communistische propagandamachine. Hij vraagt Zula of ze met hem naar het Westen wil vluchten na hun optreden in Berlijn.

Cold War (Joanna Kulig)

Tegelijk met het vertrek van Wiktor naar Parijs verdwijnt ook de ziel uit Dwa Serduszka. Het lied wordt in handen van Wiktors rivaal Kaczmarek (Borys Szyc) een pure propaganda-uiting. Als we het voor de derde keer horen heeft het arrangement de glans verloren die het in de eerdere orkestratie had. In de vierde versie komen Oost en West in perfect symbiose bij elkaar in een jazz-arrangement waarmee Zula en Wiktor succes hebben in Parijse clubs. De Koude Oorlog lijkt ver weg en de kou is even uit de lucht in de relatie tussen de twee.

Het maakt niet uit aan welke kant van het IJzeren Gordijn een mens zich bevindt – compromissen liggen altijd op de loer. Dwa Serduszka valt in Parijs in handen van de commercie (lees: het kapitalisme). De platenmaatschappij wil Dwa Serduszka alleen in vertaalde versie uitbrengen. Een pretentieuze Franse vertaling door Wiktors Parijse ex-minnares Juliette (Jeanne Balibar) verminkt het liedje, onder meer door het zo karakteristieke oy oy oy weg te laten. Het Westen heeft zich Dwa Serduszka toegeëigend en op eigen manier het hart eruit gesloopt.

Voor een film met zoveel muziek is het opvallend hoe kort de speelduur van Cold War is. Films met muziek duren meestal minstens twee uur. Cold War blijft onder de anderhalf uur, wat ook bijzonder is voor een verhaal dat meerdere jaren beslaat. Regisseur Pawel Pawlikowski maakt grote stappen in de tijd. De elliptische vertelwijze dwingt de kijker om zelf de ontbrekende gebeurtenissen in te vullen. Het doet de kijker tegelijk realiseren hoe kostbaar tijd is en hoe het uit onze vingers glipt.

Net als Pawlikowski’s vorige succesfilm Ida (2013) is Cold War gefilmd in oogstrelend zwart-wit en in het smallere Academy-formaat. De film doet op sommige momenten denken aan klassiekers uit het voormalige Oostblok, zoals bijvoorbeeld de films van de Poolse regisseur Andrzej Wajda. De rock-’n-roll-scène heeft wel wat weg uit het vroege werk van de Tsjecho-Slowaakse regisseur Miloš Forman (check vooral diens debuutfilm Černý Petr a.k.a. Black Peter uit 1964). In de slotscène meende ik even de invloed te herkennen van Andrej Tarkovski in de manier waarop de wind over het gras waait. Aan het begin van Tarkovski’s De Spiegel (1974) komt de film tot leven wanneer een goddelijke adem over een veld blaast. In Cold War blaast dezelfde adem het verhaal als een kaarsje uit.

9/10

Cold War draait vanaf 6 december in de Nederlandse bioscopen.

The Wife (Björn L Runge, 2017)

wo, 11/21/2018 - 16:49

The Wife gaat over een winnaar van de Nobelprijs en lijkt louter gemaakt om actrice Glenn Close eindelijk aan een Oscar te helpen. Liefhebbers van Close en haar tegenspeler Jonathan Pryce zullen niet door de film worden teleurgesteld. Mensen die van een film meer verlangen dan het vastleggen van verdienstelijke acteerprestaties zullen mogelijk minder enthousiast zijn.

Romanschrijver Joe Castleman (Jonathan Pryce) krijgt op een hele vroege morgen in 1992 thuis in Connecticut een telefoontje met een heuglijk bericht uit Zweden. Het Nobelprijscomité wil hem de Nobelprijs voor Literatuur toekennen. Castlemans vrouw Joan (Glenn Close) luistert in een andere kamer mee zonder een spoor van blijdschap te tonen. Ze lijkt eerder bezorgd dan blij over wat de prijsuitreiking los zal maken. Het echtpaar bewaart een geheim waar journalist Nathaniel Bone (Christian Slater) graag alles van wil weten. Hij is van plan de officiële biografie te schrijven over Castleman en reist met Joe en Joan mee tijdens hun vlucht per Concorde naar Zweden. De film laat achterwege waarom Concorde van de gebruikelijke routes afwijkt en hoe de journalist zich de dure vlucht heeft kunnen veroorloven.

Het merendeel van The Wife speelt zich af rondom de prijsuitreiking in Stockholm. Van die stad wordt slechts second unit beeldmateriaal vanaf drones vertoond. De rest van de film is voornamelijk gedraaid in Glasgow. De meeste dialogen zijn binnenshuis en in de studio opgenomen, met een steriel ogend eindresultaat tot gevolg. De wereld rondom de Castlemans komt nooit echt tot leven. Het team van de ingehuurde Zweedse regisseur Björn L Runge concentreert zich volledig op het acteerwerk van de drie belangrijkste acteurs. Hun prestaties mogen op geen enkele wijze afgeleid worden door een aantrekkelijke visuele vertelstijl. The Wife ziet er vanwege de dienstbare cameravoering uit als een ouderwetse televisiefilm in widescreen formaat.

The Wife (Glenn Close en Jonathan Pryce)

De kleurloze regie van Björn L Runge beperkt zich tot het vastleggen van de vele dialogen. De cameravoering maakt nogal een ongeïnspireerde indruk. Pratende hoofden worden in de montage ordentelijk afgewisseld door middel van het procedé shot-tegenshot en het steeds dichterbij filmen van de personages. Ter variatie beweegt de camera soms langzaam over een rails voor een tracking shot, zoals tijdens de dialoog tussen Joan en de journalist. Deze scène is overigens een van de aardigste vanwege de verkapte manier waarop Glenn Close en Christian Slater met elkaar aan het flirten zijn, omringd door figuranten die zich opzichtig als figuranten gedragen.

Acteur Max Irons (zoon van Jeremy Irons) mag in de bijrol als zoon David verschillende gradaties van frustratie vertonen over het gedrag van vader Joe. Jonathan Pryce trekt met zijn dominantie spel net als zijn personage alle aandacht naar zich toe. Close kan vaak niet meer doen dan toekijken en reageren, wat ze overigens vakkundig doet. Pryce begeeft zich op vertrouwd terrein, want hij speelde een paar jaar geleden een minstens zo arrogante schrijver met exact dezelfde baardgroei in het vele male interessantere Listen Up Philip (Alex Ross Perry, 2014).

The Wife (Glenn Close)

Om Close en Pryce extra te laten stralen worden ze omringd door een ensemble acteurs met veel minder uitstraling. Dat de film niet zonder de twee steracteurs kan blijkt tijdens de terugkerende flashbacks. Joan denkt meer dan eens terug aan haar eerste ontmoeting met Joe in 1958 toen zij literatuur bij hem studeerde en hem later assisteerde bij het schrijven van zijn debuutroman The Walnut (*). Haar jongere versie wordt gespeeld door een actrice die weinig uiterlijke overeenkomsten vertoont en wat betreft acteerstijl niet in de schaduw kan staan van Glenn Glose. Je zou niet direct zeggen dat de jonge actrice Annie Starke in werkelijkheid de dochter van Glose is. De mogelijke chemie tussen Starke en Harry Lloyd (achter-achter-achterkleinzoon van Charles Dickens) in de rol van de jonge Joe (met en zonder opgeplakte baard) wordt geheel overschaduwd door de confrontaties tussen acteerkanonnen Glenn Close en Jonathan Pryce. De flashbacks bieden veel achtergrondinformatie, maar hebben vanwege het stijve acteren lang niet de gewenste dramatische impact.

4/10

(*) De walnoot speelt een belangrijke bijrol in The Wife. Als de jonge Joe wordt geïntroduceerd liggen walnootkruimels en gebroken doppen op zijn bureautafel. Hij eet de steenvrucht ook tijdens zijn colleges. Joe gebruikt walnoten ook om jonge vrouwen mee te versieren, onder meer door er een geschreven boodschap op achter te laten. De film gaat voorbij aan het feit dat het oppervlak van een walnoot zeer ongeschikt is om er met een pen op te schrijven. Met een dunne viltstift lukt dat misschien nog wel, maar die maakten in 1958 nog geen deel uit van de schrijflade van een literatuurprofessor.

Parklicht 2018: hedendaagse lichtkunst in het Oosterpark

ma, 11/19/2018 - 13:39

Herman Lamers

Het Amsterdamse Oosterpark stond de afgelopen dagen voor het tweede achtereenvolgende jaar in het teken van de gratis toegankelijke lichtkunsttentoonstelling Parklicht. De organisatie had er wijs voor gekozen om de tentoonstelling een maand eerder te laten plaatsvinden dan in 2017. De weersomstandigheden waren beter dan de vorige keer en ideaal voor een uitgebreide wandeling langs de exclusief voor Parklicht gemaakte kunstwerken. Wie het toch iets te koud vond kon op zaterdagavond de warmte opzoeken in de kapel van Hotel Arena tijdens de première van de audiovisuele coproductie Krysalis.

Parklicht houdt de tentoonstelling van hedendaagse Nederlandse lichtkunst bewust klein, in tegenstelling tot de grootschalig aangepakte toeristische attractie Amsterdam Light Festival in het stadscentrum. Parklicht beperkt zich tot noordkant van het Oosterpark, in het gebied tussen Hotel Arena en het Tropenmuseum. Bijna alle werken zijn gebaseerd op het gebruik van wit licht of blacklight. In veel gevallen is less is more van toepassing. Zonder plattegrond zouden sommige werken nooit gevonden worden, zoals het neonlicht van Willem Marijs onder de steenblok met het Mariabeeldje bij Hotel Arena of het daglicht van Veerle Thoben dat ’s avonds door de bomen op de stoep naast het Tropeninstituut schijnt.

John Oosting

Het Oosterpark bood vijf avonden een rustige omgeving die recht deed aan het verstilde en minimalistische werk van bijvoorbeeld de Japanse kunstenaar Yasuhiro Chida, de enige deelnemer van buiten Nederland tijdens deze editie van Parklicht. Het eerste object dat bezoekers van hem tegenkwamen als ze via de westkant het park waren binnengekomen, was een lichtvlek die als een verdwaalde geest over de grond zweefde en subtiel glinsterde door toedoen van minuscule waterdruppels. Even verderop stond in het donker tussen bomen een spinnenweb van staaldraad dat zichtbaar gemaakt werd door het schijnsel van een bewegende lamp. De kleine bewegingen van de lamp brachten een groot diepte-effect teweeg.

Willem Marijs

Er waren genoeg werken die ook door toevallige voorbijgangers niet waren te missen. De blauwe lichten waarmee Peter Vink vanaf tientallen meters afstand de contouren van de achtergevel van het Tropeninstituut accentueerde was de duidelijkste indicatie dat er iets bijzonders aan de hand was in het Oosterpark. Het bewegende lijnenspel van Ingrid Roos en Elly Sloep op de muren van de open tussenverdieping van het Amsterdam Tropen Hotel waren van buitenaf goed zichtbaar, maar natuurlijk het best te zien wanneer je de wenteltrap besteeg.

Ingrid Roos & Elly Sloep

Parklicht verraste omwonenden met plekken in het Oosterpark waarvan ze niet wisten dat ze bestonden. In de achtertuin van het voormalig ontleedkundig laboratorium aan de Mauritskade bleek tijdelijk een kunstenaarscollectief te huizen. Dappie deed op eigen, afwijkende wijze met de tentoonstelling mee onder de titel Achterlicht. Parklicht was ook een goede reden om voor het eerst sinds 2001 weer eens een bezoek te brengen aan de kapel van Hotel Arena. Daar ging zaterdag als onderdeel van Parklicht het muziekstuk Krysalis in première, een audiovisuele coproductie van lichtkunstenaar Heleen Blanken en de formatie Slagmann.

Blanken maakte eerder installaties voor onder meer een theatertour van de band Moke en een liveshow van techno-producer Jeff Mills. Voor Krysalis construeerde ze een drie meter hoge cocon als symbool voor metamorfose. Het object bungelde prominent boven het podium. DJ/geluidskunstenaar Guy Blanken alias Talismann bleef half verborgen in de achterhoede. Twee percussionisten van Slagwerk Den Haag zaten tegenover elkaar achter tafels met een assortiment aan instrumenten.

De ongeveer zestig minuten durende set bevatte in de eerste twee delen invloeden uit de dance. Een pulserende bastoon had veel weg van het stuiterende ritme in Digeridoo (1992) van Aphex Twin. De percussionisten vulden de elektronische basis aan met allerhande percussie-instrumenten. In de loop van het optreden vond een muzikale metamorfose plaats en namen de akoestische instrumenten het initiatief over. De grens tussen elektronisch voortgebrachte muziek en akoestische ritmes werd steeds vager. De muzikanten haalden de klappen, tikken en minimale melodiepatronen door effectapparatuur en maakten loops waar ze nieuwe ritmes overheen legden. De composities kregen meer verwantschap met industriële trommelaars als Test Department en postindustriële ambient, gecombineerd met ritualistische muziek uit Tibetaanse kloosters, zeker toen de percussionisten al blazend een geluid voortbrachten dat leek op een dungchen.

Krysalis

Ergens halverwege werd de cadans onderbroken en wreef de percussionist links over het vel van de immens trom waar hij achter zat. Het geluidseffect had iets weg van het verschuiven van tektonische platen. De rij blauwe lampen aan de voet van het podium knipperden voorzichtig mee. De lichten trokken zich de rest van het optreden veel minder aan van de ritmische figuren. De grote cocon trok de meeste aandacht, omdat de verrichtingen van de muzikanten zich in het donker speelden. Het object hing eerst stil en leek in onbewogen positie meer op het immens uitvergrote lichaam van een mier dan iets waar een vlinder uit zou kunnen kruipen. Projecties zorgden voor bewegingen die eerst leken op krioelende mieren en daarna op een uitvliegende zwerm vleermuizen.

Het duurde even voordat de lichtsculptuur om zijn eigen as begon te draaien en zich volledig aan de toeschouwers openbaarde. De metalen naden weerspiegelden het licht en lieten het dansen op de muren. Soms verkleurde het oppervlak vanwege de lichteffecten. De achterkant was opengebroken en bood een blik in het binnenste. Spiegels maakten het interieur van de cocon groter dan de buitenkant.

Het thema van de metamorfose beperkte zich tot de muziek. Die was niet echt vernieuwend, maar vanwege de twee geschoolde muzikanten zeker afwisselend genoeg om een klein uur te blijven boeien. De draaiende cocon kon geen volledige set de interesse vasthouden. Een gehoopte apotheose bleef uit.

Le Guess Who in Utrecht, zondag 11 november 2018

do, 11/15/2018 - 17:38

Irreversible Entanglements

Le Guess Who is een festival waar muzikale avonturiers eigenlijk niet omheen kunnen. Het internationale publiek kon afgelopen weekend in Utrecht kiezen uit een overvol programma dat ruimte bood aan vele genres en plaatsvond op meerdere locaties verspreid over de stad. Helaas stonden meerdere acts die ik wilde zien op hetzelfde tijdstip geprogrammeerd. Om die reden koos ik net als vorig jaar voor slechts één dagje Le Guess Who op de laatste festivaldag. Circuit des Yeux en Irreversible Entanglements stonden boven aan de verlanglijst en verder hoopte ik positief verrast te worden door artiesten waar ik nog niet eerder van had gehoord.

Discotheek Poema had speciaal voor Le Guess Who de dansvloer vrijgemaakt voor een muzikale meditatiesessie. Zitzakken vormden tezamen een archipel als rustplaats voor vermoeide festivalgangers. Een enkeling viel bij het eerste optreden van Cinema Perdu in slaap om pas aan het eind van de middag wakker te worden bij het wegsterven van laatste act Thet Liturgiske Owasendet. De dreunende drones van DNMF nodigden aan het begin van de middag iets minder uit tot een uitgebreid middagdutje. De set heavy ambient van Otto Kokke en René Aquarius (Dead Neanderthals) samen met Rutger Zuydervelt (Machinefabriek) bestond uit langgerekte bastonen, alsof een metalbassist met de constante nagalm van zijn instrument, en zijn versterker op maximaal volume, een misthoorn probeerde na te bootsen. Aquarius en Zuydervelt draaiden achter een tafel bedachtzaam aan knoppen terwijl Kokke met zijn saxofoon boven het kosmische gebrom uit probeerde te komen. De hele ruimte trilde als een raket die op het punt stond om op te stijgen.

Olan Mill (een project van de Brit Alex Smalley) zorgde in dezelfde ruimte voor de betere slaapmuziek. Centraal bandlid Alex Smalley ging van start met een violiste aan zijn zijde. Na twee zwevende nummers verliet zij het podium en kwam de golvende akkoordenbrij volledig uit een laptop. Op visueel vlak viel in de duistere ruimte niets te beleven, aangezien Alex Smalley gehurkt achter een tafel zat en achter een beeldscherm verborgen bleef. Het middengedeelte van de zaal dobberde slapend op de klankenzee. Aan de overkant bij de muur sliep een groepje net zo vredig als de Daltons na hun mislukte overval in 1892. Een andere bezoeker ging ongegeneerd languit op het podium liggen. De twee Deense jongens links naast me aan de rand van de dansvloer zaten met hun hoofd in hun handen, alsof het concert iets was om te betreuren. In de slotfase kwam een anonieme man naast Smalley zitten om onhoorbare geluiden uit een extra laptop toe te voegen aan muziek zonder begin en einde. Sinds de ambient-experimenten van Brian Eno is sinds de jaren zeventig alleen de techniek veranderd.

De performance in theater Kikker van de Noorse vocalist en componist Maja S. K. Ratkje klonk vele malen spannender. Ze deed meer met digitale delay dan uitsluitend zichzelf vermenigvuldigen, het sleetse trucje waar andere geluidskunstenaars zich de laatste decennia veelvuldig schuldig aan hebben gemaakt. Ratkje vermengde live voortgebracht gesis, gefluister, losgetrokken lettergrepen en ander stemgeluid en manipuleerde haar vocale kunsten met behulp van een synthesizer. De geluiden kregen elk een toets toebedeeld en zo creëerde de muzikante een complex stereobeeld. Slechts enkele keren schoten de wijzers van de decibellenmeter in het rood, zoals tijdens het moment waarop Ratkje een stuk plastic tevoorschijn haalde voor luide klappen en vervorming van een oerschreeuw. De onvoorspelbare set kreeg een onverwachts melodieus rustpunt tijdens een wiegeliedje waarbij een vreemd gevormde duimpiano voor ijle noten zorgde.

Circuit des Yeux

De zondagavond van Le Guess Who begon in de Grote Zaal van TivoliVredenburg met het concert Reaching For Indigo: Gaia Infinitus van Circuit des Yeux. Zangeres Haley Fohr had exclusief voor het festival muziek van haar laatste album ingestudeerd met leden van het Nederlands Kamerorkest. Ze stond als priesteres in een half doorzichtig gewaad centraal op het podium en bracht met galmende lage stem een sacrale ode aan de oermoeder uit de Griekse mythologie. Misschien was ze zelf de Gaia die met haar muziek de natuurkrachten in toom hield. Een strijkkwartet, drummer en paukenist waren voldoende om de donkere folk van Circuit des Yeux groots orkestraal te laten klinken. De akoestiek van de Grote Zaal deed de rest.

Na Circuit des Yeux bleek het optreden van Beverly Glenn-Copeland in Hertz geen onlogische volgende stap in het festivalprogramma. Beide vocalisten hebben een theatrale manier van zingen met iets meer toepassing van vibrato dan over het algemeen gebruikelijk is. De stem van Glenn-Copeland begeeft zich in de hogere regionen en wordt in recensies vaak vergeleken met die van landgenoot Joni Mitchell. De Canadese muzikant treedt sinds kort na afwezigheid van bijna twintig jaar weer op voor publiek, ondersteund door de band Indigo Rising bestaand uit onder meer multi-instrumentalist Thom Gill, drumster Bianca Palmer en pianist Nick Dourado. De folky jazz was delicaat gearrangeerd. Ondanks de inbreng van soms drie toetsenisten tegelijk klonken de liedjes nooit vol en bleven de songteksten heel goed te volgen. Glenn-Copeland zong over leven en dood zonder te zwaar op de hand te worden. Tijdens een lied uit het slavenverleden putte de vocalist uit de eigen familiegeschiedenis, zichzelf begeleidend op Afrikaanse percussie. De inleidende verhalen waren heel innemend, maar zorgden er vanwege hun lengte wel voor dat het slotnummer op het laatste moment vanwege tijdgebrek van het programma geschrapt moest worden. Wat restte was een langdurige staande ovatie.

Beverly Glenn-Copeland

De overgang van de bedeesde Beverly Glenn-Copeland naar de vurige Eartheater in Cloud Nine was een lichte cultuurshock. Eartheater is het soloproject van muzikant en beeldend kunstenaar Alexandra Drewchin uit New York. Haar performance was net zo onrustig als de kale ritmes en andere geluiden die vanuit twee cd-spelers over elkaar heen tuimelden. De muziek had last van concentratiestoornis. Wat betreft het aantal decibellen was het optreden zeker imposant. Drewchins exhibitionistisch performance leidde echter te veel af om aandachtig te luisteren. De zangeres kronkelde rondom de tafel op het podium en bewoog als een danseres op zoek naar een paal. Haar schaarse kleding bleek niet bestemd tegen zoveel wendbaarheid. Bij elektronische muziek valt over het algemeen live weinig bijzonders te zien, maar dit optreden was weer het andere uiterste.

De bandleden van The Heliocentrics uit Londen bleven tijdens de eerste vijf nummers die ik van ze meemaakte verborgen in het halfduister van de Ronda-zaal. Zangeres Barbora Patkova had voor de gelegenheid een apart pakje met veren aangetrokken, maar dat was vanwege het slechte zicht nauwelijks te ontwaren. Haar zoekende zanglijnen bleven op voorspelbare wijze binnen het akkoordenschema van de psychedelische jazz die haar bandgenoten voortbrachten. Van de platen die ik van The Heliocentrics heb gehoord bevalt me hun instrumentale soundtrack bij de documentaire The Sunshine Makers me dan ook het beste. De muzikanten stonden op Le Guess Who voornamelijk hun eigen achtergrondvideo’s te begeleiden.

Irreversible Entanglements (Moor Mother)

Ik had het beste concert voor het slot bewaard en sloot het festival af in zaal Pandora met Irreversible Entanglements, het Amerikaanse jazzcollectief met dichteres Camae Ayewa a.k.a. Moor Mother. Het was een wonder dat Ayewa’s stem boven het rumoer van haar bandleden uitkwam. Trompettist Aquiles Navarro en saxofonist Keir Neuringer spuwden hun woede tijdens wilde improvisaties. Neuringer blies ter afwisseling ook op een ter plekke in elkaar gedraaid blaasinstrument en wat leek op een Arabische mizmar.

Het kwintet werd deze avond versterkt door pianist Pat Thomas. Hij kwam na drummer Tcheser Holmes op, bewerkte eerst de snaren in het binnenste van de vleugel en beukte daarna met zijn vuisten op de toetsen. Irreversible Entanglements was een en al vuist. De band speelde een ziedende, apocalyptische set free jazz met teksten over een wereld waar geen vluchtwegen meer lijken te bestaan. De poëzie van Ayewa is gedreven door het lot van de Afro-Amerikaanse bevolking in de Verenigde Staten, maar daar beperkte ze zich deze avond niet toe. Aan het begin van de set leek de dichteres ook te verwijzen naar het lot van de mensen in de karavaan die op dit moment vanuit Venezuela naar de grens van de VS trekt en de vijandigheid die de vluchtelingen daar zullen aantreffen.

Free jazz geeft veel meer dan in andere genres ruimte om muzikaal te reageren op actuele misstanden. Voor escapistisch amusement was bij Irreversible Entanglements geen plaats. Het felle engagement van de muzikanten bracht het publiek op opwindende wijze met beide benen terug op de geblakerde grond.

Nasmak: Beautiful Obscenery in Q-Factory, Amsterdam (2 november 2018)

za, 11/03/2018 - 21:33

Veertig jaar na de oprichting van Nasmak (1978-1984) stonden enkele leden van deze Brabantse band gisteren na lange tijd weer op het podium. Gitarist/zanger Joop van Brakel en drummer Toon Bressers namen in Q-Factory in Amsterdam-Oost de eerste exemplaren in ontvangst van de compilatie-lp Beautiful Obscenery. Ter gelegenheid van deze uitgave kon een gezamenlijk optreden niet uitblijven.

Postpunkband Nasmak voegde begin jaren tachtig een flinke dosis funk toe aan hun muziek, net als hun Britse genre- en generatiegenoten Gang Of Four en The Pop Group. In tegenstelling tot die twee bands had Nasmak geen politieke agenda. De Brabanders waren meer geïnteresseerd in muzikale experimenten. Ze koppelden het rockinstrumentarium aan geluidsgeneratoren (zogenaamde kraakdozen) en tapes en gaven hun muziek mede structuur met behulp van associatieve en abstracte songteksten. Nasmak groeide uit tot een van de bekendste exponenten van de Ultra-beweging. De Nederlandse muziekpers riep het tweede album 4our Clicks (1982) meermaals in polls uit tot een van de beste platen ooit door een Nederlandse groep gemaakt.

4our Clicks is het beste startpunt om Nasmak te leren kennen. Wie de meest avontuurlijke kant van de band aandurft kan terecht bij Indecent Exposure, een serie van in totaal zes cassettes met schetsen, jamsessies en andere geluidsflarden uit de oefenruimte, aangevuld met live-opnamen. Indecent Exposure geeft toegang tot het laboratorium van Nasmak. Je hoort probeersels uitgroeien tot complete nummers, waarvan sommige nooit op plaat zijn verschenen. De originele cassettes uit 1981 en 1982 zijn verzamelobjecten geworden, dus als je ze compleet wilt beluisteren moet je op internet enig speurwerk verrichten. Een behapbare versie van de in totaal 441 minuten durende verzameling is de nieuwe compilatie Beautiful Obscenery, in 300 genummerde exemplaren op vinyl uitgebracht door Collectable Vinyl uit Alkmaar. Aan de wisselende geluidskwaliteit te oordelen lijkt het erop dat bij gebrek aan mastertapes de cassettes als bronmateriaal zijn gebruikt, maar dat maakt de plaat niet minder de moeite waard als historisch document.

V.l.n.r.: Jan Ensing (Collectable Vinyl), Joop van Brakel en Toon Bressers.

Bij de albumpresentatie in de kleine, donkere kelder van Q-Factory waren afgelopen vrijdag van Nasmak alleen de leden Joop van Brakel en Toon Bressers aanwezig. Zangeres Truus de Groot uit de eerste bezetting, toen de band nog in het Nederlands zong en Nasmaak heette, was vertegenwoordigd in de vorm van een videoclip. Joop van Brakel betrad als eerste muzikant het podium voor de uitvoering van twee drastische herinterpretaties van Nasmak-klassiekers. De dansbare elektronische begeleiding bij het eerste nummer kwam volledig uit de laptop en was alleen als Nasmak herkenbaar vanwege de teksten en de karakteristieke, hoge stem van Van Brakel. Hij speelde vervolgens als singer-songwriter op akoestische gitaar I Hope I Am Gonna Rain Today. Toon Bressers had ondertussen plaatsgenomen achter zijn drumkit.

De drummer onderbrak het getokkel van zijn voormalige bandlid met enkele onverhoedse klappen en luidde daarmee het begin in van een korte gezamenlijke set. Joop van Brakel haalde loops en sequencerloopjes uit zijn laptop en stoeide met gitaarsamples terwijl Toon Bressers in rechte lijnen drumde die hij in onregelmatige patronen door elkaar heen verweef. De twee muzikanten hadden eerder op de dag voor het eerst gerepeteerd en wisten niet precies welke kant hun optreden zou opgaan. Bij hun zoekende performance leken ze ieder soms een eigen, afwijkende route te bewandelen. Het was alsof het publiek aanwezig was in de oefenruimte, wat natuurlijk uitstekend paste bij het concept van de Indecent Exposure-serie.

Peter Sijbenga en Jelle Buma

Peter Sijbenga en Jelle Buma lieten later op de avond tijdens hun optreden niets aan het toeval over. De twee Friese muzikanten kwamen met hun eerbetoon heel dicht bij het originele bandgeluid van Nasmak. Bassist/zanger Sijbenga (It Dockumer Lokaeltsje, Deinum) is niet alleen een groot fan van Nasmak. Hij vormde begin deze eeuw samen met Bressers en Van Brakel de band Dish Hunt en is dus zeer vertrouwd met hun muzikale idioom. Drummer Jelle Buma (Deinum, Mercy Giants, Solbakken) voegt in zijn solowerk net als Bressers via drumpads samples toe en speelt met een vergelijkbare machinale precisie. Het duo deed hoogtepunten van 4our Clicks weer als nieuw klinken. Dat is geen eenvoudige opgave, want de zangpartijen volgen in Nasmak-nummers regelmatig een andere maatsoort dan wat de ritmesectie speelt. Het kostte Sijbenga volgens eigen zeggen enige inspanning om hand- en zangcoördinatie volledig op elkaar af te stemmen, maar dat stond een geslaagde uitvoering geenszins in de weg.

Beautiful Obscenery is mogelijk het begin van een reeks vinyluitgaven met muziek van Indecent Exposure. Het verhaal van Nasmak maakt deel uit van het boek over Nederlandse postpunk dat muziekjournalist Richard James Foster binnenkort zal uitgeven en waarvan hij gisteren alvast een voorproefje gaf. Met een beetje geluk is het optreden van Peter Sijbenga en Jelle Buma te beluisteren in een van de uitzendingen van het radioprogramma X-Rated op de Concertzender.

Thunder Road (Jim Cummings, 2018)

ma, 10/29/2018 - 21:53

Acteur Jim Cummings draaide in oktober 2015 de korte film Thunder Road. In één onafgebroken take van iets meer dan twaalf minuten neemt jonge agent Jimmy afscheid van zijn overleden moeder. De begrafenisceremonie loopt uit de hand omdat de man zijn emoties nauwelijks kan bedwingen en op het punt staat in te storten. Je weet niet of je moet lachen of huilen of beschaamd de blik wil afwenden. De korte film is in aangepaste vorm het startpunt van de speelfilm Thunder Road, winnaar van onder meer de SXSW Grand Jury Award 2018.

Het ging al niet zo goed met agent Jim Arnaud (Jim Cummings) voordat het overlijden van zijn moeder hem van streek bracht. Zijn huwelijk is gestrand en hij leeft gescheiden van zijn vrouw Rosalind (Jocelyn DeBoer) en dochtertje Crystal (Kendal Farr). De relatie met Crystal wil niet erg vlotten tijdens de dagen die hij met haar door mag brengen. De dood van moeder doet Jimmy beseffen hoeveel offers zij heeft gebracht om hem groot te brengen. Moeder had in haar leven geen gelegenheid voor Bruce Springsteen-romantiek zoals bezongen in haar favoriete liedje Thunder Road. Jimmy moet het gevecht met zichzelf aan om haar voorbeeld te kunnen volgen en te bewijzen dat hij een goede vader kan zijn.

De extreme stemmingswisselingen en woedeaanvallen van Jimmy lijken te wijzen op een bipolaire stoornis. Door zijn onvoorspelbare gedrag loopt de agent het risico dochter Crystal te verliezen. Collega Nate (Nican Robinson) probeert hem te kalmeren en zijn baas (Bill Wise) adviseert hem om een weekje rust te nemen. Jimmy wil echter door blijven werken, zelfs op de dag van de begrafenis. De bijbehorende stress zet hem aan tot het nemen van onbesuisde beslissingen waarmee hij ook zijn baan op het spel zet.

Thunder Road (Jim Cummings)

De agent heeft geen ouders meer om op terug te vallen. Hij voelt de hele wereld op zich afkomen en reageert impulsief en zonder na te denken. Daarbij maakt hij veel schade, zowel materieel als immaterieel. Het uitgangspunt van Thunder Road is heel tragisch en toch is de film een van de betere Amerikaanse komedies van dit jaar. Je moet wel opgewassen zijn tegen de uitvergrote acteerstijl van Jim Cummings. De acteur/regisseur balanceert constant op het randje tussen tragedie en scherts. Het hoofdpersonage is grotesk maar blijft desondanks geloofwaardig. De manier waarop Cummings binnen enkele seconden tussen extreme emoties schakelt is technisch heel knap. Als je de gelijknamige korte film vergelijkt met de openingsscène van Thunder Road kun je zien dat de acteur tempo en timing volledig van tevoren heeft uitgedacht en niets aan het toeval heeft overgelaten.

In sommige artikelen over Thunder Road wordt Jimmy gezien als een goed voorbeeld van de boze witte man. Daar zou ik alleen in mee kunnen gaan als het een politieke film was geweest en dat is Thunder Road niet. Het is een psychologische tragikomedie over een man die het gevaar loopt om mentaal over de rand te gaan. Jimmy zou net zo het spoor bijster kunnen gaan raken als de verwarde dakloze man die hij tijdens een patrouille tegenkomt. De film legt zowel een visuele als tekstuele link tussen Jimmy en de zwerver. De dans van de agent tijdens de begrafenis lijkt op de manier waarop de zwerver beweegt. Later in de film, wanneer het dieptepunt in Jimmy’s leven lijkt te zijn bereikt, neemt hij dezelfde woorden in de mond als de zwerver (They don’t know!).

De virtuoze openingsscène belooft een visueel aantrekkelijke film. De weldoordachte vorm leidt niet af van de inhoud. De onberekenbaarheid van Jimmy wordt in beeld gebracht door middel van afwijkende beeldkeuzes. Het is soms alsof de camera bang is dicht bij het hoofdpersonage te komen. In plaats van het afwisselen van pratende hoofden vinden meerdere dialogen in two shots plaats, vanaf veilige afstand gefilmd en als het even kan met de voorruit van een auto tussen personages en de camera. De camera neemt onverwachte posities in tijdens een ernstig gesprek tussen de agent en Crystals leraar (Macon Blair, bekend van de films van Jeremy Saulnier).

De stemmingswisselingen worden verbeeld door in de montage meerdere keren hard te snijden van een rustig shot naar een uit de hand geschoten actiescène. Beeld en montage proberen de kijker net zo uit balans te brengen als Jimmy. Op die manier wordt de betrokkenheid vergroot met een complex personage met wie de kijker zich normaal gesproken niet zo snel zou hebben geïdentificeerd.

Thunder Road maakt momenteel een bescheiden tournee door Nederland en is komende maand te zien tijdens het Leiden International Film Festival.

8/10

John Carpenter live in TivoliVredenburg (10 oktober 2018)

zo, 10/14/2018 - 16:41

John Carpenter is de laatste jaren meer bezig met het maken van muziek dan met het regisseren van films. Hij bracht in 2015 Lost Themes uit, een album met synthesizermuziek voor imaginaire films. De toenemende belangstelling voor de soundtracks uit zijn horrorklassiekers en cultfilms was voor Carpenter een extra reden om zijn muziek live uit te voeren en op tournee te gaan. Woensdag speelde hij voor het eerst met band in Nederland.

Sinds de sciencefictionkomedie Dark Star (1974) is John Carpenter zelf verantwoordelijk voor het merendeel van de muziek bij zijn speelfilms. Zo kan hij tegelijkertijd uiting geven aan zijn muzikale aspiraties en de productiekosten laag houden. De zeventigjarige filmregisseur heeft vanwege zijn lange haren altijd het voorkomen gehad van een rockster. Hij mocht zich tijdens het optreden in Utrecht ook een beetje rockster voelen samen met een eigen band, een lichtshow, filmprojecties en een rookmachine die waarschijnlijk ooit dienst heeft gedaan op de set van The Fog (1980).

Carpenter stond een beetje onwennig centraal op het podium in de vrijwel uitverkocht grote zaal van TivoliVredenburg. Hij speelde de thema’s en een enkele synthesizerbaspartij meestal met één hand, terwijl de andere hand op de zijkant van het toetsenbord leunde of in zijn broekzak rustte. Meerdere malen maakte hij met beide handen het duivelsteken. Na het laatste nummer stak hij zijn rechtervuist in de lucht net zoals bassist Derek Smalls dat doet in This Is Spinal Tap (1984). Omdat zoon Cody links van hem het moeilijkste toetsenwerk voor zijn rekening nam, had de opzichtig kauwgom kauwende Carpenter alle gelegenheid om naar de bovenste balkons te zwaaien en oogcontact te zoeken met mensen op de voorste rijen. De kauwgom verdween tijdens het intro van Starman (1984) terug in de verpakking.

Het concert was strak geregisseerd. Carpenter had het script op een lessenaar voor zich staan en las elke aan- en afkondiging netjes voor. Van enige spontaniteit was geen sprake. Zelfs de slotopmerking dat de regisseur het deze avond heel erg naar zijn zin had stond woord voor woord op papier. De volgorde van de gespeelde composities werd bepaald door montages uit het oeuvre van Carpenter die achter de band op een groot scherm werden geprojecteerd. De belichting werd per film aangepast met vooral veel groen tijdens Big Trouble In Little China (1986). Bij The Fog begon de rookmachine mist te spuiten en tijdens They Live (1988) droegen alle bandleden een zonnebril.

Soundtracks van John Carpenter zijn nooit genomineerd voor The Academy Awards, maar daarmee zijn ze niet minder geslaagd. Een eenvoudig synthesizerthema kan in combinatie met de juiste beelden precies de gewenste dosis kippenvel veroorzaken. Een van die momenten tijdens het concert was bij het eerste beeld van Halloween (1978) waarin de tiener Michael Myers wordt ontmaskerd. De scène werd met gejuich ontvangen. De originele Halloween volgde op een montage van scènes uit de nieuwe Halloween van regisseur David Gordon Green (Nederlandse première: 1 november 2018) waar Carpenter als componist en executive producer bij betrokken is geweest. De oudste film op het programma was Assault On Precinct 13 (1976) en de meest verrassende de televisiefilm Body Bags (1993). John Carpenter stuurde zijn publiek de nacht in met afsluiter Christine (1983) en werd na het slotakkoord beloond met een staande ovatie.

De band voerde ook de muziek uit die Ennio Morricone heeft geschreven voor The Thing (1982). Rockgitarist Daniel Davies (Carpenters petekind en zoon van Dave Davies van The Kinks) bespeelde zijn instrument voor deze gelegenheid met een strijkstok. De toeschouwers werden te veel in beslag genomen door de nog steeds indrukwekkende special effects uit de horrorklassieker om de verrichtingen van gitarist uitgebreid te bewonderen. Zelfs bij minder interessante titels uit Carpenters filmografie zoals Village Of The Damned (1995) en Vampire (1998) werd de aandacht van het publiek in beslag genomen door wat op het scherm werd vertoond. Het optreden in Utrecht bevestigde nog maar eens hoe krachtig de beeldtaal van John Carpenter is. Het concert had niet zonder gekund.

Leaning Into The Wind (Thomas Riedelsheimer, 2017)

do, 10/11/2018 - 12:01

Zestien jaar na de succesvolle documentaire Rivers and Tides bracht de Duitse regisseur Thomas Riedelsheimer vorig jaar zijn tweede film uit over het werkproces van de Britse landschapskunstenaar Andy Goldsworthy. Leaning Into The Wind volgt de kunstenaar tijdens reizen en projecten in de periode 2013-2016 en laat zien hoe gepassioneerd hij de strijd aangaat tegen de elementen en de vergankelijkheid.

Andy Goldsworthy (Cheshire, 1956) is geobsedeerd door de constant veranderende natuur. Het landschap is zijn atelier. Goldsworthy’s kunstwerken zijn overgeleverd aan de elementen en het verstrijken van tijd. Sommige objecten zullen na zijn dood blijven bestaan, zoals de omgevallen immense iep langs een stroompje nabij zijn woonplaats in Schotland. Andere kunstwerken zijn binnen enkele minuten of zelfs binnen enkele seconden verdwenen nadat hij ze heeft gemaakt. Een patroon van gele bladeren wordt al door de wind weggeblazen terwijl Goldsworthy nog druk bezig is met het aanbrengen ervan. Meerdere keren in Leaning Into The Wind gaat hij snel op de grond liggen wanneer het begint te regenen en laat hij een afdruk van zijn lichaam achter dat binnen de kortste keren door regendruppels wordt weggespoeld.

Leaning Into The Wind is geen biografische film. De kunstenaar spreekt slechts sporadisch over zijn persoonlijke leven. Zijn studietijd in Preston komt ter sprake bij een bezoek aan Lancashire waar hij als student inspiratie haalde uit het kustlandschap. De familie komt even in beeld als een herinnering op 8mm-film, opgenomen toen hij nog getrouwd was met zijn eerste vrouw Judith Gregson, die in december 2008 omkwam bij een auto-ongeluk. Dochter Holly is haar vader in zijn voetsporen gevolgd. Ze heeft de Glasgow School of Art afgerond en assisteert Goldsworthy regelmatig. Meer dan in de vorige documentaire Rivers and Tides laat Leaning Into The Wind zien dat het werk van de landschapskunstenaar vaak gemaakt wordt in collectief verband.

Goldsworthy’s interesse in de vergankelijkheid van de dingen om ons heen en de milde droefheid die daarbij hoort heeft wel iets weg van het Japanse mono no aware. Naast het vervaardigen van objecten uit steen, hout of sneeuw bestaat zijn werk ook uit performances waarbij de kunstenaar een fysieke confrontatie met de natuur aangaat. De documentaire is vernoemd naar een performance tijdens een hevige storm aan de rand van een hoge heuvel in zijn woonplaats Dumfriesshire. Goldsworthy probeert tegen de harde wind te leunen en wordt daarbij een paar keer omvergeblazen. Tijdens de performance Hedge crawl, dawn, frost, cold hands kruipt Goldsworthy door dikke takken van een heg langs een weg in Sinderby, North Yorkshire. Onderweg kneust hij een rib en raakt hij onderkoeld. Je moet er wat voor hebben om een weg te kiezen buiten de gebaande paden om.

Bij een film over een tegendraadse kunstenaar hoort muziek van een tegendraadse componist. Thomas Riedelsheimer vroeg opnieuw avant-gardist Fred Frith voor de soundtrack. Net als het werk van Andy Goldsworthy is de muziek van Frith avontuurlijk en dwars en toch heel toegankelijk.

7/10

Transit (Christian Petzold, 2018)

wo, 10/10/2018 - 10:08

Duitse regisseur Christian Petzolds plaatst in Transit een verhaal dat zich afspeelt in de Tweede Wereldoorlog naar het decor van onze huidige tijd. Vermoedelijk had ik de film anders beleefd als ik tijdens het kijken op eigen kracht tot die ontdekking was gekomen en er niet al over had gelezen in aankondigingen en recensiekoppen. Voorkennis heeft de grote verrassing van Transit weggegeven. Blijft er toch voldoende over waardoor de film de moeite van het kijken waard is?

De anachronistische vertelwijze die in Transit wordt toegepast is een manier om te laten zien hoe onveranderlijk de geschiedenis is. Geschiedenis is gedoemd zichzelf te herhalen. De mensheid maakt telkens weer dezelfde fouten. Zelfs van de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog lijken we niets geleerd te hebben. Vluchtende Georg (Franz Rogowski) probeert uit handen van de Duitsers te blijven, maar hij had net zo goed een vluchtende Syriër geweest kunnen, gestrand in een Europa waar mensen en overheden zich vijandig opstellen tegenover vluchtelingen.

De reis van Georg start in Parijs en eindigt via een goederentrein in Marseille. De man hoopt vanuit de Franse havenstad met de boot verder te kunnen reizen naar de Verenigde Staten. Hij heeft in zijn bagage het manuscript van de roman van een overleden schrijver. De vrouw van de schrijver wacht al enige tijd in Marseille op de komst van haar man zodat ze gezamenlijk de grote oversteek kunnen maken. Georg neemt de identiteit van de schrijver over om zo zijn vluchtkansen te verhogen.

Transit (Franz Rogowski)

De vermenging van de Tweede Wereldoorlog en de tegenwoordige tijd werkt het best wanneer personages zich bewegen in ruimtes met veel diepte, zoals straten die uitlopen op drukke winkelgebieden. Terwijl op de voorgrond mensen tijdens oorlogstijd proberen te overleven lopen op de achtergrond in de verte hedendaagse passanten te winkelen alsof er niets ergs in de wereld aan de hand is. Op dat soort momenten wordt de onverschilligheid van een volk ten opzichte van hulpbehoevenden op bijna terloopse wijze pijnlijk duidelijk.

Drie aspecten van Transit stonden mij heel erg tegen. Ik had de meeste moeite met de voice-over, wat sowieso niet mijn favoriete verteltechniek is. Het duurt even voordat de alwetende stem zich nadrukkelijk met de vertelling bemoeit. De stem van de anonieme verteller spreekt pas als Georg tijdens de illegale treinrit het manuscript openslaat. Het is alsof het verdere verhaal uit een boek wordt voorgelezen. Die keuze zal zijn ingegeven door de literaire bron van Transit: de gelijknamige roman van Anna Seghers.

Voice-overs heb je in verschillende vormen. De ergste is die waarin de verteller volledig overbodig handelingen beschrijft die ook te zien zijn. Transit gaat een stap verder. De anonieme voice-over vertelt in deze film zelfs wat personages zeggen tijdens hun dialogen en overstemt meerdere keren de gesprekken. De techniek vergroot de afstand tussen toeschouwer en hoofdpersonages.

Tranist (Paula Beer)

De acteurs gedragen zich als pionnen die al zijn opgeofferd en doelloos langs de kant van het schaakbord staan. Franz Rogowski speelt Georg met overdreven gelatenheid. Hij is vanwege zijn onbewogen spel niet in staat een hele film te dragen, in ieder geval niet onder regie van Christian Petzold. Paula Beer heeft in de rol van Marie, de vrouw van de overleden schrijver, weinig meer te doen dan heen en weer te lopen over de straten van Marseille. Meer dan eens denkt ze in Georg haar schrijvende echtgenoot te herkennen, waarna ze teleurgesteld uit beeld verdwijnt.

Behalve de voice-over en het weinig aansprekende acteerwerk viel ik ook over de toevalligheden in het script. Georg probeert na inkomst in Marseille eerst de vrouw te vinden van de man met wie hij in de goederentrein heeft gezeten. De medepassagier heeft de reis niet overleefd. Voordat Georg de vrouw spreekt, speelt hij op het terrein van haar flat een partijtje voetbal met een jongen die daar rondzwerft. Laat dat nou uitgerekend het zoontje zijn van de vrouw die hij zoekt. Als de jongen later in het verhaal ziek wordt, klopt Georg aan bij een dokter. Heel toevallig blijkt die een hotelkamer te delen met Marie. Misschien gebeurt dat in het boek van Seghers ook, maar in de film komt deze toevalligheid over als gemakzucht van de scriptschrijver.

De gestrande vluchtelingen komen in Marseille niet veel verder dan bureaus van bureaucraten en hetzelfde café-restaurant waar elke dag dezelfde pizza’s worden geserveerd. De mensen verliezen hoop op een volgende, beslissende stap richting een veiliger bestaan. Hun bedreigde leven is tot stilstand gekomen en met hen de film. De vonken tussen Georg en Marie willen niet genoeg overslaan om er desnoods alsnog een tragisch romantisch liefdesrelaas van te maken.

4/4

The Ex Festival in Paradiso (30 september 2018)

wo, 10/03/2018 - 22:21

Het festival van The Ex in Paradiso was afgelopen zondag een dubbel verjaardagsfeestje. De band mocht het 35-jarig bestaan vieren in drie zalen van het 50-jarige podium. The Ex toonde zich in Paradiso met het gevarieerde festivalprogramma wederom als pleitbezorger van grenzeloze diversiteit.

In tegenstelling tot het vorige The Ex Festival in Paradiso in maart 2014 waren de deelnemende acts ditmaal verspreid over het gebouw, inclusief de kelder. Iedereen kon op de avond een eigen programma samenstellen. Sommige bevriende bezoekers liepen we pas na middernacht in de bovenzaal voor het eerst tegen het lijf omdat zij compleet andere keuzes hadden gemaakt.

Massicot

Ons eindstation was het Zwitserse trio Massicot. De drumpartijen van Colline Grosjean en de atonale gitaargeluiden van Simone Aubert (Hyperculte) lieten horen dat de invloeden van The Ex niet aan het meer van Genève zijn voorbijgegaan. De onconventioneel opbouwde liedjes – meer no wave dan krautrock – waren constant scheef maar bleven probleemloos in evenwicht vanwege een vindingrijke steady beat en de minimalistische loopjes op de rode babybasgitaar van de monotoon zingende Mara Krastina. Heel even klonk een effect over de bas dat leek op het basgeluid van de Nijmeegse band Mekanik Kommando. Het zal vast geen toeval zijn geweest dat bovenzaal-DJ en MC Richard Foster voorafgaand aan Massicots optreden de Mekanik Kommando-klassieker Connection-Disconnection draaide.

Een andere act die we in de bovenzaal zagen was het duo Anne-James Chaton en Andy Moor met nummers van het album Heretics. Die plaat is gewijd aan ketters door de eeuwen heen, zoals Caravaggio, Jose Mujica, Marquis de Sade en Johnny Rotten. Moderne ketter William Burroughs richtte postuum vanaf een wit doek zijn geweer op het publiek terwijl zijn karakteristieke nasale stem als elastiek elektronisch werd uitgerekt door de laptop van Anne-James Chaton. De laptop braakte verder voornamelijk industriële loops als ritmische ondergrond voor het geïmproviseerde snaargeraas van Moor. De Franse woordspelingen en taalvondsten van declamerende spraakmachine Chaton werden door noise bedolven. Bij het nummer Heidsieck’s Chords konden we de teksten gelukkig goed volgen vanaf het scherm. Chaton dreunde de namen op uit een lijst met voornamelijk mannelijke auteurs. Het duurde even voordat ik doorhad dat Moor, die voor even met zijn rug naar het publiek stond, de lijst gebruikte als partituur. Woorden werden akkoorden.

Anne-James Chaton & Andy Moor

Elk lid van The Ex trad op met een eigen zijproject. De vier bandleden kwamen later op de avond bijeen voor een optreden in de grote zaal. Festivalgangers kwamen uit de diverse Paradiso-uithoeken toegesneld om het concert van de festivalcurator bij te wonen. Het kwartet stelde zich bescheiden op door niet de rol van afsluiter op zich te nemen en niet veel langer te spelen dan hun collega’s. In tegenstelling tot de presentatie van het album 27 Passports, eerder dit jaar in de feestzaal van een Ethiopisch restaurant in Amsterdam-Noord, was er geen ruimte voor een toegift. Wat het publiek betrof had The Ex tot diep in de nacht mogen doorgaan. Vooral de andere muzikanten in de zaal werden zichtbaar meegesleept door de dansbare set. Ze lieten zich optillen om ruggelings in extase over de handen van het publiek te drijven. We zagen onder meer bassist/gitarist Jasper Stadhouders en Oscar-Jan Hoogland voorbij zweven. Zij presenteerden zelf eerder op de avond Practical Music in de Paradiso-kelder.

Oscar-Jan Hoogland had zoveel instrumentarium meegebracht dat er in de kelder voor publiek bijna geen ruimte meer was. De toetsenist had zichzelf onder de gewelven ingebouwd tussen onder meer zijn onafscheidelijke wonderlijke klavier, twee synthesizers, een cassetterecorder, meerdere megafoons, houten kraakdozen met primitieve hendels en immense hoorns, een stuk of vijftien platenspelers en een flipperkast. Jasper Stadhouders stond op enige afstand aan zijn snaren te trekken. Een jazzdrummer bleef anoniem verborgen achter de ruggen van omstanders. De lange geïmproviseerde set klonk als een verkeersopstopping op een Afrikaanse rotonde. Een onzichtbare zangeres probeerde vanaf cassette boven opgefokte claxons en een langzaam jankende sirene uit te komen.

Oscar-Jan Hoogland

Hoogland liep heen en weer tussen de vele instrumenten. Hij verloor eenmaal zijn evenwicht door toedoen van een verkeerd getimede beweging richting de achter hem geplaatste mengtafel. Zijn val werd opgevangen door zes draaitafels met ieder een exemplaar van het debuutalbum On The Line van Guus Janssen. Toen de omgevallen apparaten min of meer weer werkten zette Hoogland de naald op de zes albums en veranderde het optreden kortstondig in een pianolarecital van Conlon Nancarrow.

Nog meer humor was in de bovenzaal te beleven bij Gummbah en zijn bloemlezing uit de bodemloze serie Net Niet Verschenen Boeken. De cartoonist reeg op kruidenierstoon een reeks melige boektitels aaneen en citeerde bespottelijke gedachtespinsels die voor poëzie moesten doorgaan. Zijn hilarische lezing werd op het scherm achter hem geïllustreerd aan de hand van voorbeelden uit gefingeerde beeldromans en fotoboeken. Gummbah werd geflankeerd door het brein achter Leonard Bedaux Cinema. Diens video’s van eenzame bomen, dode muren, treurige jaren-zestig-nieuwbouw en andere Hollandse lelijkheid werden begeleid door verkeerd vertaalde pop- en volksmuziek. Onbenullig voorwerpen werden voor schut gezet in uit de hand geschoten filmpjes, zoals de baal hooi die werd toegezongen in het filmpje Altai Kai N°9 (zie hieronder). De meligheid van Gummbah was zo aanstekelijk dat we tot aan de laatste grap in de bovenzaal bleven hangen en ons moesten haasten om drie trappen lager het eerste nummer van HOWRAH mee te pikken.

De gevarieerde avond bracht naast melodieuze indienoise, Afrikaanse en Koerdische muziek, vrije improvisaties, dubbele drumsolo’s en grappenmakerij ook een terugkeer naar de wortels van de Nederlandse rock en jazz. Het festival werd namelijk geopend door drumband Hallelujah Makkum uit het ouderlijk dorp van Ex-zanger/gitarist Arnold de Boer.

Drumbands zijn naast kerkorgels en de plaatselijke harmonieorkesten voor veel Nederlanders de eerste kennismaking geweest met live uitgevoerde muziek. Uit drumbands komen rock- en jazzdrummers voort en harmonieorkesten en fanfares waren het startpunt voor menige Nederlandse jazzheld. De Kift, die uit dezelfde Wormer-scene voortkomt als The Ex, legt de link tussen fanfare en punk en deed dat al in voorloper Svätsox. De hoogste tijd om de lokale drumband als inspiratiebron in het zonnetje te zetten op een festival waar je zulke muziek niet snel verwacht.

Zea met drumband Hallelujah Makkum

Drumband Hallelujah Makkum luidde het festival in door de grote zaal binnen te marcheren en mee te spelen met een greep uit het repertoire van Arnold de Boers project Zea. De muzikant werd onder het balkon terzijde gestaan door vier gastblazers, onder wie saxofonist John Dikeman en trombonist Joost Buis. Drumband, rock en jazz zetten gezamenlijk op luide en opzwepende wijze de eclectische toon voor de rest van de geslaagde avond.