Over alles behalve design

Abonneren op feed Over alles behalve design
arthouse, classics, cult, Hollywood, music
Bijgewerkt: 1 uur 34 min geleden

10 jaar Cineville – deel 2: de pauze in 35 rhums

zo, 07/14/2019 - 12:32

De filmpauze is een slechte gewoonte waar je tegenwoordig alleen buiten de Randstad ongevraagd mee geconfronteerd wordt. In het jaar dat Cineville werd geïntroduceerd was er in Amsterdam nog één bioscoop waar de pauze voor oponthoud kon zorgen. Meestal meed ik die plek door naar een andere aanbieder te gaan, behalve toen 35 rhums van Claire Denis in première ging en er geen andere keuze was.

Hoe zouden mensen reageren als tijdens een pianoconcert van pak ‘m beet Rachmaninov de pianist tijdens het moment suprême, in de overgang tussen twee maten ergens halverwege het stuk, stopt met spelen, van de pianokruk wegloopt, achter de coulissen een sigaret opsteekt en pas na een minuut of tien terugkeert om de draad weer op te pikken? De kans is groot dat het publiek in opstand komt. De muzikant zal niet gelyncht worden, maar kan een verdere carrière aan de top voorgoed vergeten.

Zo vanzelfsprekend als een compositie uit de klassieke muziek of hedendaags gecomponeerde muziek als onaantastbaar kunstwerk behandeld wordt, zo vogelvrij is de cinema, althans in de ogen van sommige bioscoopexploitanten. Zij mogen ongestraft en zonder toestemming van de makers een film in tweeën hakken. Hun kruideniersmentaliteit gaat ten koste van verhaalopbouw, verteltempo, structuur en filmritme. Ze halen de toeschouwers uit de filmdroom omdat de omzet aan de bar zwaarder weegt dan de filmervaring.

Bij films langer dan vier uur kan een pauze natuurlijk geen kwaad en hebben de makers zelf een geschikt moment uitgekozen. 35 rhums duurt geen vier uur, maar desondanks werd in 2009 achter onze rug halverwege te vertoning van deze film de guillotine tevoorschijn gehaald voor een ongewenste onderbreking. De pauze brak 35 rhums in tweeën op het moment dat de kijker zorgvuldig een van de belangrijkste scènes binnen wordt geleid. Vader Lionel (Alex Descas) en dochter Joséphine (Mati Diop) stranden vanwege een defecte auto samen met buurvrouw Gabrielle (Nicole Dogué) en de heimelijk op Joséphine verliefde buurjongen Noé (Grégoire Colin) in een hevige regenbui. Ze zoeken een tijdelijke schuilplek in een café dat eigenlijk net wil gaan sluiten. Het verblijf in het café blijkt het begin van veranderingen in de relaties tussen de personages.

De bioscoop (*) zette de schaar in een vloeiend verlopende beweging, op het moment dat de cafédeur achter het hoofdpersonage sluit en de eigenaresse van de zaak haar natgeregende klanten iets wil zeggen. Vervolgens moesten de bioscoopbezoekers verplicht ruim tien minuten nutteloos naar een gesloten rood gordijn staren tot het doek weer werd vrijgegeven voor de rest van de scène. Het mag duidelijk zijn dat Claire Denis geen pauze had gepland en zeker niet op het genoemde moment. Hoe zou ze reageren als ze hoort dat haar werk in Nederland op sommige plekken stelselmatig wordt verminkt?

Onlangs merkte ik tijdens het thuis opnieuw bekijken van 35 rhums hoe sterk de herinnering aan de onderbreking nog steeds is. De pauze heeft voorgoed een litteken achtergelaten.

(*) De bewuste zaal noem ik bewust niet bij naam omdat de pauze daar een jaar na de start van Cineville gelukkig geschrapt werd en ik er sindsdien weer graag kom.

Ága (Milko Lazarov, 2018)

zo, 06/30/2019 - 11:33

De film Ága draait in de Nederlandse bioscopen terwijl buiten subtropische temperaturen records breken. Ága brengt verkoeling met uitgestrekte sneeuwlandschappen en dikke ijslagen en een verhaal over een wereld die door opwarming van de aarde aan het verdwijnen is.

De camera kijkt aan het begin van Ága onbewogen toe hoe in de verte aan de extreem lage horizon een man met een sledehond rechts in beeld komt en zich over de besneeuwde toendra naar de linkerkant van het brede filmdoek verplaatst. Milko Lazarov bereidt ons met dit shot voor op iets meer dan anderhalf uur slow cinema. De Bulgaarse regisseur past zich aan aan het alledaagse ritme van het bejaarde echtpaar Nanook (Mikhail Aprosimov) en Sedna (Feodosia Ivanova). Hun joert wordt omringd door sneeuw en ijs in een landschap waar verder niemand woont.

De immense witte leegte zal de gemiddelde westerling afschrikken. Nanook en Sedna hebben er geen moeite mee. Zij zijn met weinig tevreden en halen geluk uit de liedjes die ze voor elkaar zingen en de dromen die ze met elkaar delen. Wat ze niet delen zijn de zorgen over hun gezondheid. Het oogverblindende wit van de sneeuw symboliseert de leegte die dreigt in het vergeetachtige brein van Nanook. Sedna verzwijgt de zorgwekkend ogende wond op haar heup. Ze zalft de wond als Nanook eropuit is getrokken om te gaan vissen.

De twee hoofdpersonages zullen het op eigen kracht moeten zien te redden, want de rest van de beschaving is ver weg. Af en toe trekken condenssporen van vliegtuigen strepen door de blauwe lucht. Een enkele keer komt neef Chena (Sergei Egorov) op bezoek. Hij is de enige link met dochter Ága (Galina Tikhonova) met wie het echtpaar heel lang geen contact meer heeft. Ze werkt tegenwoordig bij een diamantmijn, vertelt Chena.

Mikhail Aprosimov in Ága

Ága gaat over een leven dat aan het verdwijnen is. Niet alleen vanwege voortschrijdende ouderdom, maar ook omdat het veranderende klimaat de vertrouwde leefomstandigheden aantast. Rendieren maken geen deel meer uit van de omgeving en vormen dus niet langer meer de basis voor Nanooks broodwinning. Hij ziet af en toe een eenzaam zwervend rendier in de verte, maar dat kan ook een zinsbegoocheling zijn.

Nanook en Sedna verrijken elkaars leven met mythische verhalen en wonderlijke dromen. De dromen dringen het verhaal binnen zonder de film magisch-realistisch te maken. Mogelijke interpretaties worden aan de kijker overgelaten. Als je wilt kun je de naderende raven beschouwen als een slecht voorteken, net als de kadavers van kleine dieren die Nanook tijdens zijn tochten tegenkomt. De hoge rotsen aan de rand van de toendra worden gefilmd alsof het immense reuzen zijn. Ze waken over de laatste twee bewoners van het sneeuwlandschap. Sedna ziet in de rotsen de figuren van een vader, een moeder en hun dochter en beschouwt ze als symbool van eeuwige familiebanden.

Feodosia Ivanova in Ága

Het landschap overheerst ook in het indrukwekkende slotbeeld van de diepe mijngroeve. Het beeld is een extreme uitvergroting van het gat dat Nanook eerder in de film met een pikhouweel slaat in het ijs. In plaats van deel uit te maken van de natuur verdwijnt de mens hier in het immense gat in de aarde dat met behulp van machines is gegraven. De melancholische treurmuziek van Mahlers vijfde symfonie intensiveert de realisatie dat er onder onze ogen iets waardevols verloren is gegaan.

8/10

Thurston Moore Group in OCCII (4 juni 2019)

za, 06/08/2019 - 21:07

Het was afgelopen week niet de eerste keer dat Thurston Moore OCCII bezocht. De voormalige Sonic Youth-gitarist heeft een goede band met het Amsterdamse podium. Waarschijnlijk kan Moore met gemak de grote zaal van Paradiso vol krijgen, maar hij voelt zich meer verwant met de ondergrondse DIY-cultuur van OCCII. Net als in augustus 2014 waren ook de optredens op 3 en 4 juni volledig uitverkocht. De gespeelde set was verrassend, zeker voor mensen die zich op een rockende avond hadden verheugd.

Het optreden van Thurston Moore Group in OCCII verschilde dinsdag op meerdere manieren van de vorige keer op dezelfde locatie. Het eerste in het oog springende verschil was de aanwezigheid van nieuw bandlid Jon ‘Wobbly’ Leidecker, elektronicaspecialist uit Negativland. Zijn plek achter een tafel, waar hij zat als een boekhouder achter zijn administratie, was een eerste indicatie dat we geen rock-‘n-roll hoefden te verwachten en zeker geen Rock N Roll Consciousness. Vaste bassiste Deb Googe (My Bloody Valentine) was nog niet terug van vakantie en werd voor deze gelegenheid vervangen door gitariste Jennifer Chochinov. Deze avond ontbrak ook zang. De microfoon stond onaangeroerd geleund tegen een speaker te wachten op de afsluitende bedankspeech. Gitarist Thurston Moore plaatste zijn effectpedalen dusdanig dat hij met zijn rug naar het publiek moest staan om knoppen te kunnen bedienen.

De hoofdmoot van het optreden was een instrumentale compositie van ongeveer een uur in plaats van een set met liedjes. De band ging van start met losse ijle noten die door de drie gitaristen tegelijk werden voortgebracht op hun twaalfsnarige instrumenten. Vaste gitarist James Sedwards mag normaal gesproken graag soleren, maar hield zich nu braaf aan de afgesproken partijen. Leidecker pikte de noten op via zijn mengpaneel en bewerkte ze tot begeleidende soundscapes en onverwachte stoorzendergeluiden. Drummer Steve Shelley voegde met zijn bekkens ruis toe en zette pas laat een eerste basisritme in. Moore hield vanuit een centrale positie zicht op zijn bandleden en gaf elke volgende wending aan met een gitaarhalsbeweging.

De eerste lange compositie was een reis door de geschiedenis van de gitaarunderground en een ode aan inspiratiebronnen en bands die op hun beurt weer mede door Sonic Youth zijn geïnspireerd. De losse openingsnoten deden me denken aan die in Twilight Furniture van This Heat (Moore heeft een paar keer meegedaan met de reünie This Is Not This Heat en maakte een plaat met This Heat-drummer Charles Hayward). Krautrock uit de jaren zeventig ging vloeiend over in de in effecten wadende gitaarakkoorden die we kennen van shoegazebands als My Bloody Valentine en Slowdive. De sporadische uitbarstingen waren niet heel ver verwijderd van postrockgroepen als Mogwai. Typische Sonic Youth-dissonanten waren schaars en staken alleen de kop op toen de drie gitaristen kortstondig metaal onder de snaren wreven, maar dat kan ook een eerbetoon zijn geweest aan generatiegenoten en vrienden van The Ex. Moore’s partner Eva Prinz kleurde het optreden met projecties van haar astronomisch getinte videomontages.

Het optreden was in het bijzonder een ode aan de invloedrijke gitarist en componist Glenn Branca (1948-2018). Het half uur durende nieuwe nummer 8 Spring St., dat als toegift werd gespeeld, is vernoemd naar diens oude woonadres in Manhattan. Thurston Moore nam voor een groot deel precies dezelfde podiumpositie in als dirigent Branca tijdens optredens met zijn gitaarorkesten. Moore speelde ooit samen met Sonic Youth-collega Lee Ranaldo in een van die orkesten. Glenn Branca was een van de eerste mensen die de muziek van Sonic Youth omarmde en platen van de band uitbracht.

Het optreden van Thurston Moore Group was een ernstige aangelegenheid. Elke noot werd secuur geplaatst en de muzikanten speelden net zo geconcentreerd als leden uit een klassiek orkest. Ik vond het de moeite waard, maar na afloop bleken de meningen in de zaal verdeeld.

Kanipchen-Fit

Voorprogramma Kanipchen-Fit was vele malen losser en vrolijker. De Amsterdamse band treedt (voorlopig) op als duo met een drumcomputer. Zangeres Gloria en gitarist/zanger Empee (ex-Solbakken) vermengen in hun teksten het persoonlijke met het politieke wat het meest tot uiting komt in het nummer Fight over een aanvaring met Amerikaanse autoriteiten. In het nieuwe nummer Number uit het duo op luchtige wijze zorgen over de gedigitaliseerde maatschappij. Terwijl Empee zijn toegankelijk klinkende complexe akkoorden speelde, danste Gloria op de planken met een aanstekelijke blijmoedigheid die haar niet buiten adem bracht ondanks de benauwdheid in de zaal. Te oordelen aan de reacties in de zaal wist het duo met hun set nieuwe fans aan zich te binden.

Anna’s War (Aleksey Fedorchenko, 2018)

do, 05/30/2019 - 14:53

Anna’s War kwam begin deze maand uit in de Nederlandse filmhuizen, bewust getimed vlak voor de nationale dodenherdenking. De oorlog van Anna vindt plaats in het interieur van een oude school waar het meisje is ondergedoken en in haar eentje probeert te overleven.

Anna’s War begint met een zwart scherm. Op de soundtrack is te horen hoe Anna’s Joodse familie thuis in de Oekraïne wordt geëxecuteerd door Duitse bezetters en enkele collaborerende Oekraïners. Het eerste wat we zien is een close-up van de rulle grond waar lichamen half liggen begraven, gefilmd door een zwevende camera. Opeens beweegt er iets. De lijkbleke Anna (Marta Kozlova) komt bij bewustzijn en kruipt onder haar dode moeder vandaan. Het zesjarige meisje wordt opgevangen door een ouder echtpaar. Ze geven haar kleren en schoenen en brengen haar naar een oude school die wordt ingericht tot lokaal hoofdkwartier van de nazi’s. Anna weet dat ze niemand kan vertrouwen en verstopt zich direct in de schacht van een ongebruikte open haard. ‘s Avonds, als iedereen weg is, sluipt ze door de vertrekken, op zoek naar eten en drinken.

De schuilplek in Anna’s War

Het zwart uit het begin van de film keert telkens terug wanneer de ene scène overgaat in de volgende. Het is alsof Anna iedere keer opnieuw uit de donkere aarde tevoorschijn moet komen om de dag te beginnen. Vele voorwerpen om haar heen verwijzen naar de dood. In de voormalige biologieklas hangen nog steeds tekeningen van lichaamsdelen en in de kast staan potten met dieren op sterk water. Ratten sterven in vallen, tussen de kaken van een kat of door toedoen van rattengif. Er is in deze omgeving geen gelegenheid voor emoties. Huilbuien of het geluid van angstige ademhaling kunnen het meisje verraden. Het enige wat ze kan doen is zich stilhouden en creatieve manieren bedenken om te overleven.

Weken gaan voorbij, maar het kunnen ook jaren zijn. We ervaren de gebeurtenissen via Anna’s ogen en weten daarom niet wat er in de buitenwereld gaande is. Vanuit haar schuilpositie ziet ze overdag meestal alleen voeten van mensen die zich nabij de haard bevinden. Het kinderlijke perspectief wordt extra vertekend door de gebarsten spiegel waar Anna doorheen kan kijken. De versplintering van het beeld is een manier om in het hoofd van Anna te stappen en te zien hoe daar de werkelijkheid wordt vervormd. Ze ervaart haar lot als een personage in een gruwelijk sprookje waarin Duitsers bedreigende reuzen zijn. Ze gaat de strijd aan tegen monsters in de vorm van de wakende Duitse herders.

Marta Kozlova in Anna’s War

De film geeft genoeg aanwijzingen voor een extra interpretatie van Anna’s situatie. In een surrealistische scène belandt ze ’s nachts per ongeluk tussen feestende soldaten. De verklede mannen zijn te dronken om zich af te vragen wat de zesjarige in hun midden doet. Ze beweegt zich tussen feestvierders als een spookverschijning. Anna is een geest geworden die misschien tot op de dag van vandaag door de vertrekken dwaalt.

8/10

Acusada (Gonzalo Tobal, 2018)

vr, 05/24/2019 - 11:28

Argentijnse film Acusada volgt de rechtszaak rondom de jonge Dolores. Ze wordt verdacht van moord op haar beste vriendin. De pers stort zich massaal op de zaak en maakt een beroemdheid van de vrouw. De waarheid komt in het gedrang door glamour en sensatiezucht.

De Filmkrant vond Acusada onecht overkomen en viel over de schoongeveegde sets. Regisseur Gonzalo Tobal heeft daar echter bewust voor gekozen. De wereld rondom Dolores (Lali Espósito) is opgepoetst omdat haar ouders de buitenwereld willen laten geloven dat hun dochter heel braaf en onschuldig is.

De waarheid wordt aan het begin van de film gemanipuleerd tijdens een interview voor een tijdschrift. De familie doet voorkomen alsof ze kracht halen uit hun hechte band, terwijl de relatie tussen dochter en ouders helemaal niet zo goed is. Dolores’ jongste broertje Martin (Emilio Vodanovich) wordt volledig uit het artikel gehouden alsof hij niet bestaat. Tijdens de fotoshoot binnen reageert het jochie zich buiten af op de hond. ‘s Avonds blijkt vader (Leonardo Sbaraglia) op de bank te slapen en niet in het bed naast zijn vrouw (Inés Estévez). De waarheid wordt verder in de gewenste banen geleid door advocaat Ignacio (Daniel Fanego) tijdens de laatste voorbereidingen op het langverwachte proces.

Acusada (Lali Espósito, Inés Estévez en Leonardo Sbaraglia)

Het rechtbankdrama Acusada gaat vooral over hoe twijfels over de waarheid het gezinsleven aantasten. Als het je puur om het thrillerelement gaat (inclusief bevredigende afronding), zul je waarschijnlijk teleurgesteld worden. De film zoekt zo min mogelijk de rechtszaal op. De scènes tegenover de rechter zijn het minst interessant, onder meer vanwege de stijve manier waarop de procedures worden gefilmd. De rechtszaal is het decor van een toneelspel waarbij de verdachte zich zonder het tonen van emoties aan het ingestudeerde script moet houden. Elke afwijking kan tegen haar gebruikt worden. De beperkte acteerstijl van zangeres en model Lali Espósito werkt wat dat betreft in haar voordeel. Door haar afstandelijke schoonheid ben je misschien geneigd te denken dat ze iets te verbergen heeft.

Uiterlijk vertoon staat centraal in het leven van Dolores. Ze ambieert een carrière als modeontwerpster, drapeert zichzelf regelmatig op de dekens alsof ze een model is en lijkt zich constant bewust van de camera. Een camera was verantwoordelijk voor een heftige ruzie tussen Dolores en haar vermoorde vriendin en voor de camera’s van televisiepersoonlijkheid Mario Elmo (Gael García Bernal) krijgen we voor het eerst meer te horen over haar ware motieven (*).

Acusada (Gael García Bernal en Lali Espósito)

De pers speelt de rol van hongerige jager met Dolores als prooi. Tegelijkertijd met het proces is een ontsnapte poema het nieuws van de dag. De associatie met de wilde kat suggereert dat Dolores ook een roofdier is en dus wellicht schuldig aan de moord. Acusada laat conclusies aan de kijker over.

6/10

(*) Het programma van Mario Elmo is vernoemd naar zijn initialen ME, want uiteindelijk draait het programma volledig rondom zijn ego.

Nocturne (Viktor van der Valk, 2019)

di, 05/14/2019 - 16:19

Nocturne is een speelfilm over film, in het bijzonder film noir. Het regiedebuut van Viktor van der Valk vertoont in beeld en geluid kenmerken van film noir, maar heeft inhoudelijk nauwelijks iets met deze filmstijl te maken. Nocturne is bovenmatig gestileerd met opgeplakte sterren aan de nachtelijke hemel.

Voordat Nocturne echt van start gaat wordt de kijker tijdens de kleurige openingstitels bestookt met filmreferenties. Jean-Luc Godard voert de boventoon, op de voet gevolgd door een waarschuwing in hoofdletters in de stijl van Gaspar Noé. In plaats van de voornaamste cast- en crewleden worden allerlei, veelal filmgerelateerde termen na en door elkaar vertoond. De credits worden in navolging van Orson Welles’ The Magnificent Ambersons (1942) voorgelezen door een voice-over.

Nocturne is film noir à la Godard. Aan noir-clichés geen gebrek: de nachtelijke setting zorgt voor de duistere sfeer, personages worden omringd door sigarettenrook en een dubbelganger komt uit de schaduw tevoorschijn. Wat aan Nocturne ontbreekt, is een hoofdpersonage dat is overgeleverd aan het noodlot, zoals meestal gebruikelijk in film noir. Jonge filmmaker Alex (Vincent van der Valk) maakt hooguit een gestreste indruk.

Nocturne (Vincent van der Valk en Bart Slegers)

Zou Alex vernoemd zijn naar het titelpersonage in Alex In Wonderland (1970)? Ook in die film begint een fictieve filmmaker (Donald Sutherland) film en werkelijkheid door elkaar heen te halen. De Amerikaanse Alex ontmoet zijn idool Federico Fellini. De Nederlandse Alex moet met minder genoegen nemen. Hij wordt op de filmset door crewleden aangesproken terwijl ze, net als in Fellini’s Otto E Mezzo (1963), recht in de camera kijken.

Iedereen praat heel snel en voornamelijk op fluistertoon. Zeker een derde van de film is daardoor nauwelijks te verstaan, wat zeker geldt voor Alex’ producers, door Tom Dewispelaere (met ooglap) en Bart Slegers (*) (zonder ooglap) vertolkt alsof ze deel uitmaken van een gangsterfilm. Scriptconsultant Frans (Gijs Scholten van Aschat) adviseert Alex om zich tot de essentie te beperken, want dat is goed voor de kijkcijfers. Alex blijft dwars volharden in zijn drukke nachtmerriescenario, want hij weet dat de essentie van Nocturne wel heel erg schamel is. Iets met een zieke moeder, problemen met meisjes en gebrek aan inspiratie.

Nocturne oogt vanwege het celluloid lekker ouderwets analoog. De filmdroom van Alex speelt zich af in een wereld waarin nog telefooncellen bestaan en nieuwe invallen met pen worden vastgelegd in plaats van op de iPad. Eren Önsoy schreef de filmmuziek, maar het is Schuberts Onvoltooide die voor de meeste dramatiek zorgt. De ongedurige montage houdt de vaart erin.

Van der Valks film wijkt net als het eerder dit jaar verschenen Retrospekt af van de gemiddelde (Nederlandse) speelfilm door te kiezen voor een extreme vorm. Dat kan alleen maar toegejuicht worden, want wat is een kunstwerk waard zonder het nemen van risico’s? Film noir is als stijl nog steeds relevant als weerspiegeling van de huidige tijdgeest. Daar heeft Nocturne geen boodschap aan. Deze film gaat vooral over zichzelf en heeft daarom niet veel meer te bieden dan verstrooiende navelstaarderij.

5/10

(*) Acteurs Bart Slegers en Vincent van der Valk zijn geen onbekenden voor elkaar. Ze speelden vader en zoon in Gluckauf (2015).

Piroshka live in Paradiso (26 april 2019)

zo, 04/28/2019 - 12:17

Miki Berenyi was weer even terug in Amsterdam. De laatste keer dat ik haar met de band Lush zag spelen was op 13 mei 1994 in de Melkweg. Van dat concert kan ik me helemaal niets meer herinneren. Blijkbaar was het niet zo bijzonder als het Amsterdamse debuut op dezelfde plek in 1990 of zo teleurstellend als het door feedback geplaagde optreden in Paradiso in 1992. Vrijdag stond Berenyi voor het eerst in Paradiso met haar nieuwe supergroep Piroshka.

Nostalgie is lucratief en overheerst daarom op de posters van zalen in het Nederlandse clubcircuit. Jonge muzikanten gaan op tournee met favoriet repertoire van oude, vaak overleden pophelden en oude muzikanten herkauwen hun grote hits. Gitarist/zangeres Miki Berenyi had wellicht meer mensen naar de kleine zaal van Paradiso kunnen trekken als ze vrijdag songmateriaal van Lush had vertolkt, maar ze had geen behoefte om zichzelf te herhalen. Gelijk heeft ze. Nieuwe tijden vragen om nieuwe liedjes en die speelt ze met Piroshka. De band bestaat naast Berenyi uit gitarist Moose, bassist Michael Conroy (Modern English) en drummer Justin Welch (Elastica), live aangevuld met Mew Welch (toetsen, achtergrondzang) en Sukie Smith (percussie, achtergrondzang).

Uit de titel van Piroshka’s debuutalbum Brickbat spreekt de behoefte om uit protest een steen als wapen op te pakken. Berenyi & co hebben moeten toezien hoe Groot-Brittannië sinds de Brexit steeds meer lijkt op een open psychiatrische inrichting. De band zingt de frustratie meteen van zich af in openingsnummer This Must Be Bedlam dat eveneens dient als startpunt van de set. Ook in het daaropvolgende nummer Run For Your Life klinkt Piroshka een stuk feller dan de lieflijke shoegaze van Lush.

Berenyi laat tussen de nummers politieke praat achterwege, want de songteksten spreken voor zichzelf. Ze heeft het in plaats daarvan over de opvallende hoge leeftijd van de aanwezigen en haar knieën die protesteerden tijdens het beklimmen van de vele trappen in Paradiso. Moose zit met zijn gedachten bij de aanstaande wedstrijd in de Champions League van zijn favoriete voetbalclub Tottenham Hotspur tegen Ajax. De band werkt inclusief bedaarde nummers toe naar het dansbare Never Enough en het strijdvaardige What’s Next, wat mij betreft het hoogtepunt van Brickbat. De synthesizers van de vrolijk springende Mew Welch komen steeds meer boven de gitaren uit. Bassist Conroy schrikt even op wanneer de white noise uit de Korg schriller sist dan hij gewend is.

Piroshka komt terug voor de onvermijdelijke toegift en neemt afscheid met een bevlogen versie van It’s Obvious van Au Pairs, omdat naast de Brexit-zorgen ook seksuele politiek deze avond niet mag ontbreken. Na afloop staan de muzikanten volgens DIY-traditie zelf merchandise te verkopen. Ze nemen alle tijd voor hun fans ondanks de lange nachtrit naar Berlijn die de band direct daarna moet ondernemen.

Beneden in de grote zaal van Paradiso betreden we een andere wereld. De gemiddelde leeftijd is tien jaar hoger bij het gemoedelijke muziekfeestje van pianist Jools Holland & His Rhythm & Blues Orchestra. Gastzanger Marc Almond lijkt vanuit de verte de enige op wie het verloop der jaren geen invloed heeft gehad. Zijn vocale uithalen zijn krachtiger dan ooit en hij hoeft niet hoorbaar op adem te komen. Almond wijst en zwaait en kijkt ons recht in de ogen aan. Iedereen zingt, wuift en klapt mee bij Say Hello, Wave Goodbye en natuurlijk Tainted Love. Nostalgie is een warm bad, maar ook daar kun je in verdrinken.

Out Of The Blue: de filmcarrière van Linda Manz

ma, 04/22/2019 - 12:28

Actrice Linda Manz werkte met filmgrootheden als Terrence Malick, Dennis Hopper en David Fincher. Haar sterke persoonlijkheid en rebelse uitstraling zorgden er meer dan eens voor dat regisseurs hun film een andere vorm of andere draai gaven dan aanvankelijk was gepland. Het korte interview met Manz in de documentaire Along For The Ride (2016) over Dennis Hopper was aanleiding om eindelijk eens alle films in haar zeer bescheiden oeuvre van slechts negen filmtitels (opnieuw) te bekijken.

Linda Manz (New York, 20 augustus 1961) werd in Upper East Side Manhattan grootgebracht door een alleenstaande moeder die als schoonmaakster werkte in de Twin Towers. Moeder wilde graag dat haar dochter een beroemde filmster zou worden en stuurde haar naar acteerlessen en dansscholen. Manz werd op haar vijftiende door regisseur Terrence Malick ontdekt bij een wasserette. Hij gaf de actrice haar eerste rol in zijn tweede speelfilm Days Of Heaven.

Days Of Heaven (1978)

In Days Of Heaven reist stadsmeisje Linda in 1916 met oudere broer Bill (Richard Gere) en diens vriendin Abby (Brooke Adams) van Chicago naar het platteland in Texas. Ze werken als seizoenarbeiders op de korenvelden van een jonge rijke boer (Sam Shepard). De boer raakt geïntrigeerd door Abby en vraagt haar ten huwelijk, net als iedereen denkend dat Bill en Abby broer en zus zijn. Heethoofd en opportunist Bill weet als een van de weinige mensen op de boerderij over de dodelijke ziekte van de boer. Hij denkt samen met Abby financieel te kunnen profiteren van de risicovolle driehoeksverhouding die na de huwelijksvoltrekking ontstaat. Linda is nog te jong om door te hebben wat er precies gaande is.

Linda Manz is de stem van de onschuld in Days Of Heaven en daarmee het hart van de film. Ze leidt de kijker door het verhaal in de vorm van een voice-over. Die vertelvorm werd uit noodzaak geboren, want Malick had tijdens het ruim twee jaar durende montageproces grote moeite met het aanbrengen van een heldere structuur. De regisseur nodigde Manz uit in de geluidsstudio, gaf slechts enkele aanwijzingen en liet haar hardop improviseren terwijl ze naar de filmbeelden keek. Manz’ authentiek klinkende, onbevangen observaties kleuren het verhaal met monologen die geschreven hadden kunnen zijn door William Faulkner. Haar stem klinkt ouder en wijzer dan je van leeftijdgenoten zou verwachten. Haar empathie wordt als contrast gebruikt tegenover de kille, berekenende manier waarop Bill in het leven staat. Het lot van Bill is geen enkele traan waard, terwijl de woorden waarmee Linda de film verlaat je niet koud zullen laten.

Manz kreeg op de set veel vrijheid van Malick. Ze hoefde zich niet aan de dialogen in het script te houden en mocht vooral zichzelf zijn. De regisseur vertrouwde op haar persoonlijkheid, haar stem en de doordringende donkere ogen in haar scherpe gelaat. Linda Manz heeft wat je noemt screen presence, iets waar in haar volgende film opvallend genoeg geen gebruik van werd gemaakt.

King Of The Gypsies (1978)

King Of The Gypsies verscheen in hetzelfde jaar als Days Of Heaven. Deze matige zigeunervariant op The Godfather was de tweede en laatste speelfilm van regisseur Frank Pierson na zijn succes met A Star Is Born (1976) en tevens het speelfilmdebuut van Eric Roberts, de oudere broer van actrice Julia Roberts. Volgens IMDb levert Linda Manz een uncredited bijdrage aan de film. Ik heb haar echter niet kunnen ontdekken tussen alle naamloze zigeuners tijdens meerdere feestelijke massascènes. Misschien is ze slechts een op de rug gefilmde passant op de straten van New York. De wazige beeldkwaliteit van de Spaanse DVD-uitgave maakte het speurwerk er niet eenvoudiger op.

The Wanderers (1979)

De tweede onvergetelijk rol van Linda Manz is in The Wanderers. Ze maakte tijdens haar auditie zoveel indruk op casting director Scott Rudin, regisseur Philip Kaufman en schrijver Richard Price dat ze speciaal voor haar een bijrol creëerden die niet voorkomt in het boek The Wanderers uit 1974. De boekverfilming is een komisch drama over straatbendes in The Bronx rond 1963 en gecentreerd rondom de Italiaans-Amerikaanse bende van Richie (speelfilmdebuut voor Ken Wahl). Manz maakt deel uit van een van de concurrerende bendes en is direct aan het begin van de film aanstichter van een confrontatie tussen The Wanderers en de Fordham Baldies.

Linda Manz als Peewee in The Wanderers

Met haar brutale houding en het litteken naast haar rechteroog lijkt Linda Manz rechtstreeks afkomstig uit een echte straatbende. Kaufman was daar in ieder geval nog steeds van overtuigd toen hij het audiocommentaar insprak op de recente Amerikaanse Blu-ray-uitgave. Manz lijkt met haar naar achteren gekamde vetkuif en zwart leren jack een mini-versie van Elvis Presley tijdens zijn comeback in 1968. De kleine Peewee is de slimste van de groep skinheads met wie ze optrekt. Een van de meest memorabele beelden komt voor in de scène waarin de skinheads in een donkere steeg dreigend op de hoofdpersonages aflopen, met Peewee voorop en achter haar vriendje Terror, een kale reus gespeeld door de in Nederland geboren acteur Erland van Lidth (1953-1987).

The Wanderers is de eerste film waarin Manz iemand speelt die graag deel wil uitmaken van een subcultuur, maar daar niet bij hoort omdat ze nog te jong is. Ze wordt vanwege haar kleine postuur niet serieus genomen en is als outcast gedoemd om aan het einde van de rit met lege handen achter te blijven.

Televisiewerk (1979)

Na The Wanderers speelde Linda Manz opnieuw komedie in de sitcom Dorothy (1979), als een van de leerlingen in de schoolklas van voormalige Broadway-ster Dorothy Banks (Dorothy Loudon), en maakte ze opnieuw deel uit van een New Yorkse straatbende in de speelfilm Boardwalk (1979). De serie Dorothy kwam niet verder dan vier afleveringen en haar bijdrage aan het abominabele Boardwalk was niet meer dan een veredelde figurantenrol (zie de uitgebreide recensie).

Linda Manz in de sitcom Dorothy

De televisiefilm Orphan Train (1979) bracht Linda Manz terug in een historische setting zoals die in Days Of Heaven. Orphan Train is een degelijk verteld relaas over het eerste transport in 1854 van New Yorkse weeskinderen naar potentiële pleegouders in het Midden-Westen van de VS. Manz is als Sarah een van de oudere kinderen in het ensemble kindacteurs. Sarah kan dankzij het transport het bordeel ontvluchten waar ze als minderjarige wordt misbruikt. Onderweg raakt ze bevriend met de opstandige Britse jongen Liverpool (Graham Fletcher-Cook). De karaktereigenschappen van Liverpool zijn vergelijkbaar met de personages die Manz meestal speelt, maar in het brave, rolbevestigende Orphan Train gedragen meisjes zich niet rebels. De oudere kinderen maken in de film minder kans om door een pleeggezin te worden opgenomen, wat Manz de gelegenheid geeft om tot aan het einde van de film in beeld te blijven en gaandeweg in haar rol te groeien.

Out Of The Blue (1980)

Out Of The Blue is het hoogtepunt in de filmcarrière van Linda Manz en opnieuw een voorbeeld van haar grote invloed op structuur en inhoud van een film. Out Of The Blue was bedoeld als regiedebuut voor scenarist Leonard Yakir en zou oorspronkelijk verteld worden vanuit het gezichtspunt van psychiater Dr. Brean (Raymond Burr). Yakir bleek echter ongeschikt als regisseur. Hij werd op het allerlaatste moment vervangen door hoofdrolspeler Dennis Hopper. Het was Hoppers eerste nieuwe regieklus na het debacle van The Last Movie (1971). Hopper had uitgebreid met Manz gerepeteerd en was ervan overtuigd dat het verhaal vanuit het perspectief van de tiener Cindy Barnes (kortweg Cebe) verteld moest worden. Hij veranderde de filmtitel Cebe in Out Of The Blue, vernoemd naar Neil Youngs lied My My, Hey Hey (Out of the Blue), en gooide het scenario volledig om. Hooper wist dat Manz in haar vrije tijd graag drumde en gebruikte haar verlangen om muziek te maken als een belangrijk motief voor Cebe’s handelingen.

Linda Manz en Dennis Hopper in Out Of The Blue

Out Of The Blue begint met een afschuwelijk ongeluk dat wordt veroorzaakt door de dronken trucker Don Barnes (Hopper) met dochtertje Cebe naast hem op de voorbank. Hopper belandt in de gevangenis en Cebe groeit vaderloos op met moeder Kathy (Sharon Farrell). Ze voelt zich verlaten door zowel de afwezige vader als door haar onlangs overleden idool Elvis. Ze trapt tegen de maatschappij aan als een jonge punkrocker, thuis rammend op haar drumstel en feedback veroorzakend met haar gitaar. Vanuit het wrak van vaders truck stuurt ze via een 27 MC verzendapparaat punkslogans de wereld in. Cebe is een kleine rebel without a cause.

Vlak voor zijn vrijlating ontmoet Cebe eindelijk haar vader weer. Er lijkt hoop te gloren in haar leven en ze kijkt dan ook uit naar zijn thuiskomst. Don Barnes kan het drinken nog steeds niet laten en heeft opnieuw een destructieve invloed op het gezinsleven. Moeder komt uit de kast als heroïnejunkie. Cebe loopt van huis weg en probeert aansluiting te vinden in de punkscene van de grote stad.

Dennis Hopper gebruikte improvisatie als basis voor alle scènes en profiteerde van Linda Manz’ improvisatietalent. De actrice kijkt niet op tegen de dominante acteur en is zijn gelijke in al hun gezamenlijke scènes. Ze volgt binnen meerdere gecompliceerde lange takes moeiteloos het ritme van de dialogen en de camerabewegingen. Manz speelt een complex personage dat zichzelf moet zien te beschermen tegen de gevaren waar ze thuis mee geconfronteerd wordt, niet wetend of ze zich nog steeds kind mag voelen of zich moet verweren als de volwassene die ze nog lang niet is.

Longshot (1981)

Na Out Of The Blue speelde Manz in haar volgende film een slap aftreksel van de rebelse Cebe. Ze is in Longshot geen punkrocker maar tafelvoetbalspeelster Maxine (kortweg Max). Ze mag deel uitmaken van het professionele tafelvoetbalteam van tiener Paul (Leif Garrett), niet omdat hij haar zo goed vindt, maar omdat er geen andere optie is nadat zijn vaste partner Leroy (Ralph Seymour) zich door toedoen van dommigheid heeft verwond en vervangen moet worden. Paul en Leroy denken vanwege de afkorting Max dat Maxine een jongen is en moeten even slikken als ze haar voor het eerst ontmoeten.

Linda Manz in Longshot

De hele film lang moet Max zich bewijzen voordat ze in de voorspelbare finale mag laten zien hoe waardevol ze is. Max is de heldin van het verhaal, maar ze wordt vanwege haar jongensachtige uitstraling nooit Pauls vriendin, hoe graag ze dat ook zou willen. Hij heeft geen oog voor haar en loopt liever achter de lange benen aan van Française Zoé (Marie-Christine Bresson). Max’ rol als buitenstaander en de daaruit voortvloeiende eenzaamheid wordt als komedie gebruikt in plaats van de tragedie die het is. De camera van televisieregisseur E.W. Swackhamer toont weinig medelijden wanneer werkelijk niemand oog voor Max heeft wanneer ze tijdens een feestelijke avond helemaal alleen aan een tafel zit te wachten op een beetje aandacht.

1982-1985

Longshot werd in 1983 gevolgd door de hoofdrol in Mir Reicht’s – Ich Steig Aus. Deze Duitse film van Gustav Ehmck lijkt totaal van de aardbodem verdwenen. De titel heeft op filmplatforms als IMDb en Letterboxd geen waarderingscijfer van bezoekers omdat niemand de film heeft gezien. Uit de korte omschrijving valt op te maken dat het verhaal overeenkomsten vertoont met Out Of The Blue. Volgens de VPRO gaat het om een matige film. Linda Manz’ laatste rol voordat ze met vervroegd pensioen ging is een roversmeisje in de aflevering The Snow Queen in tv-serie Shelley Duvall’s Faerie Tale Theatre (1985).

Linda Manz in The Snow Queen

Vanaf 1985 was de filmcarrière van Linda Manz opeens voorbij. Misschien lag het aan het ontbreken van een (goede) manager of misschien had de actrice geen zin meer om alsmaar meisjes van veertien of vijftien te moeten spelen. Ze trouwde in 1985 met cameraman Robert L. Guthrie en stichtte met hem een gezin in Californië.

Gummo (1997)

Linda Manz keerde in 1997 twee keer terug voor kleine rolletjes in films gemaakt door grote fans van haar beste werk. In het regiedebuut Gummo van Harmony Korine speelt ze voor het eerst een volwassen vrouw en is ze de moeder van een van de hoofdpersonages.

Linda Manz in Gummo

Korine laat merken hoeveel indruk Out Of The Blue op hem heeft gemaakt door de eerste dialoog te beginnen in een autowrak. Andere overduidelijke verwijzingen zijn een geïmproviseerde dronken scène rondom een keukentafel en het moment waarop de regisseur net als Dennis Hopper een fles drank over zijn eigen dronken hoofd uitschenkt. Manz heeft twee uitgebreide scènes thuis met haar zoon. De spaghettiscène in de badkamer vergeet je niet zo snel en moeders dansje op te grote tapdansschoenen is onder de titel funny dance een succes op YouTube.

The Game (1997)

Regisseur David Fincher volgde het succes van Se7en op met de mysterieuze thriller The Game. Fincher is een uitgesproken fan van Days Of Heaven en zal om die reden blij zijn geweest met Linda Manz’ deelname. Haar bijdrage is meer een cameo dan een volwaardige rol. Ze opent de deur als Michael Douglas aanklopt bij het huis van zijn tegenspeelster Deborah Kara Unger. Manz staat op de aftiteling vermeld als Christine’s Roommate Amy, maar ziet er meer uit als een strenge hospita. Fincher wist dat kijkers aan een paar seconden genoeg hadden om het personage van Manz tegen het eind van de film te herkennen tussen een grote groep acteurs.

Linda Manz in The Game

Linda Manz zit in haar laatste scène in The Game in een kantine voor markant ogende bijrolspelers. De locatie is symbolisch voor de rollen die ze waarschijnlijk zou hebben gespeeld als ze haar filmcarrière had voortgezet.

Boardwalk (Stephen Verona, 1979)

ma, 04/22/2019 - 12:27

Vanwege mijn zoektocht naar films met actrice Linda Manz bestelde ik via de VS een exemplaar van Boardwalk. Deze onbekende kleine Amerikaanse film heeft met Ruth Gordon, Lee Strasberg en Janet Leigh gerenommeerde namen op de poster staan. Op papier is er geen gebrek aan talent, maar regisseur Stephen Verona weet er geen raad mee.

[Spoilers]
Stephen Verona had tot aan Boardwalk geen opzienbarende carrière. Hij regisseerde eerder een vroege film van Sylvester Stallone en het in vergetelheid geraakte acteerdebuut van soulzangeres Gladys Knight. Samen met Leigh Chapman (scenarist van onder meer actiefilm Dirty Mary Crazy Larry uit 1974) schreef hij het verhaal over het gelukkig getrouwde Joodse echtpaar David en Becky Rosen in Brooklyn, hun familiecafetaria en de verloedering in hun wijk.

David en Becky worden gespeeld door Lee Strasberg en Ruth Gordon. Ruth Gordon (1896-1985) is bij het grote publiek bekend vanwege haar met een Oscar bekroonde bijrol als de sinistere buurvrouw in Rosemary’s Baby (1968) en de excentrieke Maude in de komedie Harold and Maude (1971). Lee Strasberg (1901-1982) was de befaamde directeur en leraar van de Actors Studio. Hij doceerde method acting aan onder anderen James Dean, Marilyn Monroe, Jane Fonda, Ellen Burstyn, Paul Newman, Dustin Hoffman en Jack Nicholson. Strasberg had weinig tijd om zelf in films te acteren. IMDb verbindt zijn naam aan slecht tien titels waarvan The Godfather: Part II (1974) en …And Justice For All (1979) met leerling Al Pacino de twee hoogtepunten zijn.

Lee Strasberg en Ruth Gordon in Boardwalk

De aandoenlijke onderonsjes van Strasberg en Gordon zijn de enige lichtpunten in Boardwalk. Beide acteurs weten aannemelijk te maken dat David en Becky al bijna vijftig jaar lang een hecht huwelijk hebben. Ze liggen nog steeds in bed als een verliefd pasgetrouwd stel. Gordons weide gebaren worden voldoende gecompenseerd door Strasbergs meer bescheiden spel. Dochter Florence (Janet Leigh) beheert samen met haar broers Davids cafetaria op een levendig kruispunt in Brooklyn. Ze bezoeken in hun vrije tijd graag hun ouders om bij te komen op de bank. Er komen meer familieleden in beeld, maar hoe de relaties precies in elkaar zitten maakt de film niet helemaal duidelijk. Een van de aangetrouwde vrouwen komt op een gegeven moment aangedaan close-up in beeld zonder dat we weten hoe ze heet.

Boardwalk met o.a. Linda Manz (tweede van links met gele zweetband)

Het vredige stadsleven wordt bedreigd door een bont uitgedoste jeugdbende met voornamelijk gekleurde leden. Linda Manz speelt de zwijgzame Girl Satan, het enige blanke lid van de bende. In de hele film heeft ze bij elkaar slechts vijf woorden tekst. Haar rol is volledig te verwaarlozen en kan gerust decoratief genoemd worden. Alle bendeleden heten Satan, behalve de Afro-Amerikaanse leider Strut (Kim Delgado). Hij wordt ingezet als het cliché van de zwarte dreiging. Zijn schreeuwende manier van acteren zou lachwekkend zijn geweest als zijn bijdrage geen racistische ondertoon had. Elke keer als hij met zijn kornuiten in beeld komt klinkt op de soundtrack muziek als uit een horrorfilm. De bendeleider lijkt gemotiveerd door antisemitisme, want hij richt zich uitsluitend op mensen van joodse komaf en sloopt het interieur van een synagoge.

Boardwalk mist het gevoel van eenheid vanwege een fragmentarische opbouw en het toevoegen van afleidende zijpaden. Veel scènes in de eerste helft van de film zijn los zand en bestaan uit banale dialogen die bedoeld zijn als sfeertekening. Ze lijken op outtakes van een soapopera en volgen elkaar op zonder dramatische ontwikkeling. Het drama wordt meerdere keren op geforceerde wijze door de stereotype jeugdbende aan het verhaal toegevoegd. De bende is de enige bedreiging in het bestaan van David en Becky, maar blijkbaar komt niemand op het idee om iets tegen de groep te ondernemen. Na brandstichting in het cafetaria op klaarlichte dag weigert David aangifte te doen. In plaats daarvan vertelt hij de brandstichter in welke straat hij woont. Dat is vragen om problemen en die krijgt hij ook.

Janet Leigh en Michael Ayr in Boardwalk

De toch al zo verbrokkelde centrale verhaallijn over David en Becky wordt langdurig terzijde geschoven voor de avontuurtjes van kleinzoon Peter (tv-acteur Michael Ayr). Deze muzikale krullenbol versiert op straat een knappe blonde vrouw (Forbesy Russell) met wie hij thuis ruzie krijgt omdat ze niet meteen met hem naar bed wil. Vreemd genoeg gaat ze toch een relatie met hem aan waarvan we het vroegtijdige einde uiteindelijk niet te zien krijgen. Het verhaal wordt ook opgehouden door een optreden van Peter met zijn band in een New Yorkse rockclub.

Het bejaarde echtpaar krijgt naast de jeugdbende in de tweede helft van de film ook te kampen met de ernstige ziekte van Becky. Ze voelt een hevige pijn in haar zij en spoedt zich naar een waarzegster in plaats van naar de dokter. Ze wil haar ziekte geheim houden, maar David komt er al snel achter, zeker wanneer Becky met de ambulance naar het ziekenhuis moet. Voordat de scène in het ziekenhuis op gang komt, wordt het verhaal onderbroken door een liedje van Peter dat hij in de studio aan het opnemen is.

Het mislukken van Boardwalk kan voor het merendeel aan Verona’s vlakke regie en het zwakke scenario worden toegeschreven. De acteurs hebben weinig materie om inspiratie uit te halen. Boardwalk werkt toe naar een totaal ongeloofwaardige finale. Als de bende opnieuw in het huis van David toeslaat en de modeltreintjes van de verse weduwnaar vernielt, is het geduld bij de oude man op en blijkt hij opeens over superkrachten te beschikken. Hij overmeestert de bendeleider op de promenade en wurgt hem terwijl de overige bendeleden staan toe te kijken alsof het om een potje amateurvoetbal gaat. Boardwalk eindigt als de wraakfilm die het misschien de hele tijd had willen zijn.

2/10

The Flying Luttenbachers live in OCCII (11 april 2019)

zo, 04/14/2019 - 17:54

Afgelopen donderdag trakteerde OCCII ons op twee luide uitersten binnen het ondergrondse rockspectrum. De avond begon met het minimalisme van University Challenged en eindigde met een maximum aan noten en drumroffels van The Flying Luttenbachers. Het Amerikaanse hoofdprogramma speelde naar aanleiding van het nieuwe album Shattered Dimension voor het eerst sinds 2005 weer live in Europa. Ik had de band voor het laatst gezien op 29 november 1999 in de Amsterdamse Kalenderpanden, dus het werd wel weer eens tijd voor een hernieuwde kennismaking.

University Challenged is het instrumentale project van gitarist Ajay Saggar en bassist Oli Heffernan uit King Champion Sounds, aangevuld met gitarist Kohhei Matsuda van de Japanse band Bo Ningen. Zittend in het halfduister brachten de drie gitaristen een psychedelische dromerige drone voort. De muzikanten hielden volhardend vast aan een grondtoon als basis voor een verscheidenheid aan door elkaar en tegen elkaar in gespeelde noten die niet afweken van de afgesproken toonsoort. Wat in de muziek aan progressie ontbrak werd gecompenseerd door de beelden op het grote witte doek achter het trio. De uitgerekte akkoordenbrij vormde een contrast met de chaotische montage in de experimentele korte film The Cut Ups (Antony Balch, 1966). Pas vlak voor het einde van de set viel de drone uit elkaar in een weifelende coda waarin elke muzikant zijn eigen uitgang probeerde te vinden.

Terwijl DJ Trish Trash van Grauzone in de pauze prettige plaatjes draaide wisselden de leden van The Flying Luttenbachers elkaar af voor luide individuele soundchecks. De distortion op de basgitaar van Tim Dahl deed niet alleen de OCCII enkele millimeters van plaats verschuiven maar leek ook de voortijdige dood van zijn versterker in te luiden. Tijdens het optreden zoemde de bas noodgedwongen rechtstreeks via de zaalversterkers door de zaal.

The Flying Luttenbachers (Alex Ward)

Stalmeester, bandoprichter en drummer Weasel Walter riep het publiek op naar voren te komen en tikte af. Walter is de enige constante in de geschiedenis van The Flying Luttenbachers. Meer dan twintig muzikanten maakten ooit deel van de New Yorkse band. Naast Dahl had Walter voor deze tournee twee nieuwe bekwame instrumentalisten meegebracht: tenorsaxofonist Matt Nelson (o.a. tUnE-yArDs) en Britse gitarist Alex Ward (o.a. This Is Not This Heat). Ward nam de plaats in van Brandon Seabrook die op het dit jaar verschenen Shattered Dimension is te horen. De band klonk als King Crimson na een overdosis anabole steroïden. De muzikanten combineerden meerdere genres waarvan er twee elkaar normaal gesproken naar de keel vliegen als ze elkaar op straat tegen zouden komen. Noise met een punkhouding gaat gewoonlijk moeilijk samen met gladde fusion, maar bij The Flying Luttenbachers zijn ze de beste vrienden.

Vooral het cleane gitaargeluid van Ward was de oorzaak voor de associatie met fusion. Hij speelde net als Nelson moeiteloos vingervlugge partijen die volledig leken te bestaan uit ter plekke uitgevoerde invallen, behalve tijdens de momenten waarop de gitarist en saxofonist unisono speelden. De twee muzikanten deden niet aan rechte noten en kozen consequent voor dissonante melodische intervallen. Walter zorgde als de Jochem Myjer van de Amerikaanse underground vanachter zijn drumstel voor constante onrust. Hij hield nauwlettend het muzikale traject in de gaten dat van tevoren tot in detail was uitgestippeld.

De symfonische punk was een aanval op de zintuigen. Het optreden was dragelijk omdat de muzikanten de humor van hun onderneming altijd bleven inzien. We mochten zelfs even een nummertje ritmisch meeklappen voor zover de onregelmatige maatsoorten ons dat mogelijk maakten.